Het Van Oeckelen-/Steendam orgel in de Rehobothkerk te Tholen
Tekst: Willem van Twillert
Als het stormt in ons land, dan stormt het harder in Zeeland. Dat was te
merken op 23 juni 2004, toen schrijver dezes in de nieuwe
Rehobothkerk van de Gereformeerde Gemeente in Tholen was om een indruk te
krijgen van het Van Oeckelen-/Steendam-orgel. Stormvlagen
deden kerk en toren van de kerk licht bewegen, hetgeen waarneembaar was op het
orgelbalkon. Waarneembaar was ook dat
de klank van het gereconstrueerde orgel goed gedijt in de galm van de door Valk
Architecten uit Soest ontworpen kerk, mede dankzij
akoestische adviezen van Henk Kooiker. Adviseur bij dit project was Dirk Bakker.
AKOESTIEK
Een behoorlijke akoestiek is voor elk
orgel een vereiste, maar voor het
'ensemble'-concept van Petrus van
Oeckelen is een ruimtelijke werking
helemaal van eminent belang. Want
hoe zou zonder een (redelijk) goed
klinkende ruimte de door Van Oeckelen
gewenste kleuring en lieflijkheid
optimaal tot stand komen? Hoe kunnen
anders karakteristieke stemmen
zoals de doorlopende Viola di Gamba,
Holfluit en Fluit travers 8 vt en
gedekte Quint 3 vt tot wasdom
komen? Om van de doorslaande
tongwerken Chalcodion en Hoboe, en
orkestrale stemmen als Violon, Open
Fluit, Trombone en Fagot maar te
zwijgen. Daar komt bij dat dit orgel
oorspronkelijk is vervaardigd voor
een andere ruimte: de Academie- of
Broerkerk te Groningen. Oorspronkelijk
stond hier het Schnitger-orgel
(1701/02) dat sedert 1815 in de Der
Aa-kerk klinkt. In 1821 werd de
Broerkerk bij Koninklijk Besluit toegewezen
aan de rooms-katholieken.
We mogen ervan uitgaan dat de
akoestiek in deze middeleeuwse
kloosterkerk met klassieke hoogte- en
lengtewerking anders was dan de
meer 'onbarmhartige' akoestiek in de
moderne, hoekige Rehobothkerk.
ORGELGESCHIEDENIS
In 1841 vervaardigt Petrus van Oeckelen
(1792-1878) uit Harendermolen
(bij Groningen) een twee-manuaals
orgel voor de Rooms-katholieke
Academie- of Broerkerk te Groningen.
Al in oktober 1843 maakt Van Oeckelen
het orgel schoon en stemt hij het.
Bovendien moeten de frontpijpen
opnieuw worden gepolijst. De invloed
van wierook en kaarsen doet zich
kennelijk gelden. Verder puntsgewijs:
1845: schoonmaak kas, witten van de
beelden.
1857: schoonmaakbeurten.
1867: toevoeging vrij pedaal met vijf
registers achter de bestaande kas, met
een pedaalkoppel naar het manuaal,
door P. van Oeckelen. Flageolet l vt
(BW) schuift een octaaf naar beneden
op, komt op de plaats van de Open
Fluit 2 vt. Open Fluit verdwijnt
(alleen groot octaaf en de toon e uit
het klein octaaf blijven bewaard).
Plaatsing nieuwe Octaaf 4 vt op BW
(discant op plaats Flageolet, bas afgevoerd
via conducten). Groot octaaf
Viola di Gamba 8 vt en Holfluit 8 vt
vervallen en worden gecombineerd
met Holpijp BW. Er is een wirwar van
conducten voor nodig. Kosten: 1200
gulden (vrij pedaal) en 600 gulden
voor herstelwerkzaamheden.
1881: reiniging van de kas door de
zonen van Petrus van Oeckelen; kas
en beelden worden in nieuwe kleuren
geschilderd. Samenstelling Mixtuur
gewijzigd; nieuwe registerknoppen
met inliggende porseleinen plaatjes.
Vervanging Fagot 16 vt door Trompet
16 vt. (Adviseur Dirk Bakker vraagt
zich nog steeds af hoe ze dat voor
elkaar hebben gekregen want er was
eigenlijk geen plaats voor op de lade.
1898: verplaatsing door Jan Doornbos
naar de Parklaankerk, gebouwd in
1889 voor de Christelijke Gereformeerde
Gemeente. Of het rijzige front
hierbij in tact bleef, is onbekend.
1925: herinrichting van de kerk;
ingrijpende wijzigingen door A.S.J.
Dekker uit Goes. Het orgel krijgt een
eigentijds front en nieuw toetsbeleg.
Open labiale pijpen worden een kleine
terts opgeschoven; vele pijpen krijgen
diepe kernsteken en expressions;
de Mixtuur wordt uitgedund tot een
doorlopende 3 sterke vulstem; de
toonhoogte wordt verlaagd tot a =
435 Hz. Er komt een nieuwe (kleinere)
magazijnbalg en een windmotor.
De c- en cislade van het hoofdwerk
worden verwisseld, zodat het bovenwerk
ertussen kan zakken. Dientengevolge
worden alle windkanalen verlegd
en de wellenborden verbouwd.
1938: restauratie door Mense Ruiter;
verhoging winddruk, vernieuwing
van Trompet 8 vt, vervanging van
Trompet 16 vt door een Cornet 5 st
discant; de Mixtuur verandert in 3-5
sterk door het aanbrengen van een
nieuwe opdik op de pijpstok.
Volgens een dispositieopgave uit
1960 van Mense Ruiter zijn op dat
moment alle tongwerken verdwenen
of buiten gebruik gesteld.
1962: restauratie door Mense Ruiter.
De Fluit travers verdwijnt ten gunste
van een Sesquialter 2 st disc. Dulcide
aan 16 vt en Scherp 3 st in plaats van
Vox Humana 8 vt en Hoboe 8 vt. Het
pedaal krijgt een Bazuin 16 vt; de
Trombone 8 vt wordt verdrongen
door een nieuwe Octaaf 4 vt. De pijpstokken
krijgen verende kunststof
sleepafdichtingen. Nieuwe roosters
voor de nieuwe registers. Sluitingen
van de nog originele voorslagen van
de laden vernieuwd. Ventielen
beplakt met dikke rode viltlaag; aan
de zijkanten van de ventielen worden
geleidestiften aangebracht. Leren
pulpeten vervangen door pertinax
pulpeetstrips. De bovensponsels worden
uit de windladen gesloopt, in
plaats daarvan een vormvaste hechthouten
plaat.
1979: plaatsing nieuwe magazijnbalg
door Mense Ruiter.
1981: besluit tot verkoop van de
kerk. Orgelbouwer Sicco Steendam
krijgt in 1986 één week de tijd om
het orgel op te slaan. Een hulporganist
had inmiddels al twee longwerken
van de lade gehaald en voor
metaalprijs verkocht. Voor het maken
van een grondige documentatie is
geen tijd en het pijpwerk gaat voor
vijftien jaar 'de laan uit', de rekken en
kasten in.
2001: inventarisatie bij Steendam,
waaruit blijkt dat nog veel origineel
materiaal bewaard is. Telkens weer
kunnen maten van allerlei onderdelen
worden herleid uit het overgebleven
materiaal.
En nu ... staat dit instrument weer in
volle glorie en luister te pronken in
de Rehobothkerk te Tholen.
KLANKCONCEPT PETRUS VAN
OECKELEN
Het ontbreken van enkelvoudige en
samengestelde vulstemmen is typerend
voor het klankconcept van Petrus
van Oeckelen. Vulstemmen werden
opgevat als 'schreeuwers'. Zo
kreeg het orgel te Strijen slechts één
vulstem, een Mixtuur, en het nu
Thoolse orgel kreeg daarenboven
alleen nog een gedekte Quint 3 vt. Bij
tweeklaviers-orgels is bijvoorbeeld
maar in één geval (Amsterdam Nieuwe
Zuids Kapel, thans Oosterkerk)
naast de Mixtuur een enkelvoudige
vulstem op het bovenwerk aanwezig.
Een samengestelde vulstem (Carillon)
op het bovenwerk, komt alleen voor
in Smilde en Garmerwolde.
Een volgend aspect is dat Petrus van
Oeckelen naast elk prestantregister
een fluitregister van dezelfde voetmaat
disponeert, waarmee hij bereikt
dat de prestantregisters als het ware
worden opgevuld en/of afgedekt met
grondtoniger stemmen. Dat geldt overigens
niet voor de zestienvoet-registers,
omdat er lang niet altijd plaats
en hoogte in een kerk was voor zo'n
rijzig orgel. Alleen Strijen, Groningen
(Broerkerk) en Amsterdam (Nieuwe
Zijds Kapel, thans Oosterkerk) kregen
zowel een doorlopende Prestant
16 vt als een Bourdon 16 vt. Vanaf
Smilde komt de Prestant 16 vt voor
als discantstem, behalve in Steenwijk
want daar bouwde Petrus van Oeckelen
een doorlopende Prestant 16 vt.
Gecompliceerde pijpvormen zoals
Roerfluiten en conische registers zoals
Spitsfluit en Gemshoorn komen bij de
eerste orgels van Van Oeckelen niet
voor. Nadien treffen we wel regelmatig
Spitsfluiten aan. In Amsterdam
(Oosterkerk) komt ook een Roerfluit
voor, die Van Oeckelen vervolgens
vaker disponeert. Bij zijn eerste orgels
vertonen alle gedekten en fluiten
(Holpijp, Gedakt, Bourdon en Fluit)
dezelfde mensuur. Later experimenteert
hij met soms extreem hoge tinpercentages
en dunne pijpenwanden.
Treffen we te Tholen nog een zeer
enge, kortbekerige Fagot 16 vt aan,
later (het ultieme voorbeeld is Steenwijk)
wordt dit een wijde Trompet 16
vt. Petrus wijzigt zijn inzichten
omtrent klank in de loop der tijd aanzienlijk.
Petrus was een moderne orgelmaker.
Hij bouwde seriematig. Het nu Thoolse
orgel is er één uit een serie van
drie samen met Strijen en het iets
kleinere orgel te Smilde. In de dispositie
was alle aandacht gericht op de
imitatie van het orkest.
FRONT
Bij binnenkomst van de kerkzaal valt
de blik direct op het liturgisch centrum
met preekstoel, natuurstenen
wetsborden, glas-appliqué ramen en
... het hoog oprijzende orgelfront.
Van de oorspronkelijk kas restten
slechts de klaviatuur-omlijstingen.
De Rehobothkerk in Tholen. In de uitbouw onder de toren
staan de balgen van het orgel.
Een fronttekening was niet meer te
vinden, dus moest de kas opnieuw
ontworpen worden. Logischerwijs
ging Steendam voor zijn ontwerp te
rade bij Strijen, waar het eerste orgel
staat dat Petrus van Oeckelen als zelfstandig
orgelmaker in 1840 opleverde.
De maatvoering van windkanalen,
balgen en laden is identiek. Vergelijkt
men de fronten van Petrus' drie eerste
orgels (Strijen, Tholen en Smilde)
met elkaar, dan blijkt dat Steendam
het snijwerk aan de pijpenvoeten a la
Smilde meer opengewerkt heeft dan
in Strijen. Er is één in het oog lopend
verschil waar te nemen tussen deze
drie fronten: Steendam gaf lijsten en
labiumverloop in de tussenvelden een
gebogen lijn, waardoor hij extra spanning
en sierlijkheid creëerde. Petrus
van Oeckelen heeft die gebogen lijn
zo goed als zeker niet voor zijn orgel
in Groningen bedacht (immers, te
Strijen en Smilde verlopen de lijsten
en labia van de tussenvelden in een
strakke lijn naar buiten schuin
omhoog). Een prachtige vondst. Deze
gebogen lijn komt vanaf Akkrum
(1856) in het oeuvre van Petrus voor.
Nog iets: in Strijen en Tholen begint
de labia-lijn in de bovenste tussenvelden
gewoon 'ergens', hetgeen deze
fronten op dit punt zelfs spannender
maakt dan dat in Smilde. De labia-lijn
bij de onderste pijpvoet sluit daarentegen
bij alle drie genoemde orgels
wel aan bij die van de zijtorens. De
voluten (gestoken zijwangen) zijn in
Tholen in de plaats gekomen van
beelden. Deze voluten en ook de
tandlijsten zijn ontworpen naar voorbeeld
van Garmerwolde. De dofzwarte
kleur met de subtiele frasering van
vergulde biezen, het goed gestoken
snijwerk, de franjes, kwasten, koorden,
draperieën, lauriertakken, dit
alles verleent het Thoolse front
schwung en grandeur.
EERSTE, ALGEMENE KLANKINDRUK
Normaliter maak ik graag kennis met
de klank van hel orgel via het beluisteren
van afzonderlijke registers en
combinaties van registers. Nu begon
ik (benieuwd naar de klankwerking
in de met harde materialen gebouwde
kerkruimte) met het spelen van mijn
net genoteerde Toccata over Psalm 21,
geregistreerd voor het volle werk, met
telkens een in volume contrasterend
klinkend tussendeel op het bovenwerk.
Hoewel een zijkantbespeling de klank
voor de bespeler moeilijk te beoordelen
maakt (de pedaalklank wordt bij
de speeltafel weggedrukt door de
hoge registers die aan de zijkanten
van de hoofdwerklade staan), raakte
ik geboeid door het aparte poëtische
karakter met de orkestrale, kleurrijke
klank en het versmelten van de drie
contrasterende werken (HW, BW,
Ped.).
Hoofdwerk
De toegevoegde Cornet en de Terts 3
1/5 vt zijn niet alleen een verrijking
voor de tutti-klank, maar vormen ook
een (voor de Thoolse gemeentezang
noodzakelijke) aanwinst voor de
begeleiding van gemeentezang en
voor soloregistraties. In Tholen staan
zowel de Cornet als de Terts op een
aparte bank die met loden conducten
uit de twee laden van het Manuaal (c- en
ciskant) wordt gevoed, zodat er
niets aan laden hoefde te worden aangepast
voor deze toevoeging. In zijn
eerste orgels disponeerde Petrus van
Oeckelen geen cornet, maar nadien
wel. Zo bouwde hij te Breede (1849),
Saaxumhuizen (1851) en Usquert
(1852, momenteel niet bespeelbaar)
een Cornet 3 sterk op 16-voets basis
in zijn orgels. De Terts 3 1/5 vt komt
na Usquert niet meer standaard voor.
In 1856 plaatste Van Oeckelen te
Akkrum zijn eerste vijf sterke Cornet,
waarna er nog vele zouden volgen.
Voor de Thoolse Cornet is Petrus'
werkwijze uit later tijd gevolgd (Middelstum,
1863, en Smilde, als toevoeging
uit 1895). Het zijn twee prachtige
stemmen geworden.
Ook de Terts 3 1/5 vt (dus op zestienvoets
basis) met een wijde mensuur
(als Open Fluit 2 vt) verleent de tuttiklank
nog een extra timbre met een
deftige glans. Het is bijna jammer dat
de Terts alleen voor de discant is
gemaakt (dat zou een Grande Tiercé
hebben opgeleverd!).
De Flageolet l vt dient met smaak te
worden getrokken, -want de mooie,
wat snijdende klank mag er qua volume
betreft best zijn. Bij het volle werk
voegt de Flageolet nog een briljant element toe aan het geheel, prima, want
de tutti-klank van het hoofdwerk is
vrij donker.
In de prestantenklank (8, 4, 2 vt) had
naar mijn smaak meer gezocht mogen
worden naar stevigheid, maar ... de
rol die prestanten in het verleden
speelden, namelijk functioneren als
basisklank van het orgel, is in de classicistische
tijd uitgespeeld. Van Oeckelen-
prestanten staan in dienst van
kleuring van het totale klankpalet en
dat is bij de intonatie anno 2004 door
Steendam/Vermeulen en Bakker gerespecteerd.
Dus ... zijn deze prestanten
uitstekend.
De maatvoering van de fluiten is,
zoals gezegd, eenvormig (hetgeen een
enigszins diffuse klank oplevert),
maar de smeuïge fluitregisters versmelten
fraai en er is sprake van
karakter in de afzonderlijke registers.
Dat is — in de toch wel wat ketsende
akoestiek van de kerkruimte — meer
dan welkom.
De Fagot 16 vt (kopie van Smilde en
Garmerwolde', waar de Fagotten
dezelfde factuur en originele toonkarakteristieken
hebben) is mooi van
klank. In het kader van de ensemblevorming
is de klank bescheiden, vandaar
de korte bekers met zeer enge
mensuur. In het klankconcept van
Petrus is het orgel een orkest en daarin
speelt de Fagot niet de boventoon.
Tevens slurpt de Fagot 16 vt met de
zeer enge mensuur en halve bekerlengte
niet al te veel wind zodat de
direct naast de Fagot 16 vt staande
pijpjes van de Mixtuur er geen windproblemen
door ondervinden.
De Fagot 16 vt heeft, evenals de
Bazuin 16 vt in het pedaal, een aantal
tonen in het groot octaaf die wat
traag aanspreken, waardoor baslijnen
niet optimaal gearticuleerd overkomen.
Deze Fagot is echter bedoeld
om te klinken in samenspraak met
tenminste een van de twee labiale zestienvoet-
registers, en dan blijkt het
met de traagheid wel mee te vallen.
Zowel de Fagot 16 vt als de Bazuin 16
vt zijn niet geïntoneerd als solo-,
maar als ensembleregisters. Tijdens
de intonatie heeft er dus steeds tenminste
een labiale 16 vt bij geklonken.
Nu spreken beide registers wel
correct aan bij vollere registraties. Bij
solistisch gebruik komt in een enkele
lage toon de aanspraak wat trager op
gang omdat zowel de Fagot als Bazuin
dan eigenlijk te veel wind ontvangen,
waardoor de tong als het ware eerst
een beetje -wordt 'gesmoord' alvorens
de aanspraak tot stand komt. Maar ...
indien Steendam, Frans Vermeulen en
Dirk Bakker de intonatie van Bazuin
en Fagot 16 anders hadden afgestemd
(als soloregister), dan waren er bij
grotere registraties tot en met het
volle werk ontstemmingen ontstaan
door verdunning van de orgelwind.
Dit bij grotere Van Oeckelen-orgels
meermalen optredende euvel (ontstemming)
is in Tholen met deze
intonatietechniek omzeild.
Het groot octaaf van de Fagot is
beleerd, noodzakelijk voor het juiste
timbre. Belering maakt accurate aanspraak
echter moeizamer, maar zo
heeft Petrus van Oeckelen dat nu eenmaal
bedoeld en zo dient het dan ook
gerespecteerd te worden. Spannend
klinkt het, naar mijn beleving, te
Tholen allemaal wel.
De Trompet 8 vt — eveneens een
kopie van de Trompet in Smilde —
heeft een goede balans tussen gronden
boventoon, een gave aan- en
afspraak en mengt mooi in allerlei
registercombinaties.
De Mixtuur klinkt buitenissig vanwege
de aparte samenstelling en repetitie
die Van Oeckelen voor zijn vroege
mixturen hanteerde. Het bestek voor
deze Mixtuur luidt: "Mixtuur uit één
voet, ieder octaaf repeterende." De
originele samenstelling van de Mixtuur
in Tholen is gereconstrueerd aan
de hand van voldoende overgebleven
restanten.
Ondanks de telkens terug tuimelende
Mixtuur met de hoge samenstelling in
de bas (aparte klank!) is deze Mixtuur
in krachtige registraties mooi en
karakteristiek. Voor solistisch spel
lijkt mij deze Mixtuur minder
geschikt, hoewel ... wanneer je voor
de discant de Terts 3 1/5 vt erbij trekt
heb je, althans volgens Henk Kwakernaat,
organist van de Sint Lambertuskerk
te Strijen, de Tertsmixtuur zoals
die oorspronkelijk in Strijen heeft
geklonken. Overigens wordt de samenstelling van mixturen bij Petrus
vanaf Akkrum (1856) 'normaal' (op
C: c, f , f' en vanaf c' vier sterk: l, 2,
4, 2 2/3).
Bovenwerk
Opvallend is de klankwerking van de
nieuwe Open Fluit 2 vt (alleen het
groot octaaf en de e' zijn van 1841,
zie hoofdstuk geschiedenis). Gecombineerd
met alle labiale achtvoeten en
de Octaaf 4 vt (en zelfs nog de Fluit 4
vt) hoor je een intense, zangerige en
fluwelig klinkende klankopbouw met
evenwicht in grond- en boventonen.
Ook de licht ademende orgelwind
werkt mee aan hel zangerige aspect.
Tevens kan bij deze combinatie nog
de Hoboe 8 vt bijgetrokken worden.
Wanneer men alle labiale achtvoeten
op het bovenwerk trekt, bemerkt men
een mooie snuivende klank. De Prestant
8 vt, waarvan de pijpen in het
front nieuw zijn, is goed getroffen
qua klankgeving.
Een hoogtepunt is de combinatie
Holpijp 8 vt en Viola di Gamba 8 vt.
Die Viola is een belevenis op zich,
nog lang niet zo eng gemensureerd
als in later tijd, maar zo anders dan
bij Witte of Maarschalkerweerd.
De beide doorslaande tongwerken
klinken karakteristiek. Het is een
goede zaak dat deze beide tongwerken
(alle oorspronkelijke tongwerken gingen verloren) zijn overgenomen en
nu in dit concept hun partij weer
kunnen meeblazen. En dan te bedenken
dat in Orgelbouwkunde van Oosterhof
en Bouman (derde druk, Leiden
1956) over doorslaande tongwerken
staat vermeld (deel II, pagina 21):
"Wanneer echter de tong (...) vrij
heen en weer zwaait tussen de lepelopening,
dan \wordt de klank -weker, daar het geratel van de tong op de lepelrand
wegvalt. Zulke tongen noemt men doorslaand. Daar zij -weinig helderheid en
karakteristiek aan de totaalklank toevoegen, te harmoniumachtig klinken en bij temperatuurwisselingen
ook in stemming
slecht harmoniëren met het overige
pijpwerk, worden zij vrijwel niet
meer toegepast en hier dus niet verder
besproken."
De doorslaande tongwerken te Tholen
spreken evenwel een andere taal.
Op karakteristieke toon geven zij de
nodige sjeu aan de totaalklank. Hoe
men ook over doorslaande tongwerken
moge denken, het zijn registers
die in het verleden zijn gebouwd. Petrus
van Oeckelen en zijn broer Cornelis
Jacobus mogen zelfs als de uitvinders
van doorslaande tongwerken
in orgels worden beschouwd (of was
het Klaas I Smits in zijn orgel in de
parochiekerk te Reek, afgebroken in
1926?). Petrus van Oeckelen plaatste
in ieder geval in 1831 in het orgel van
de Martinikerk te Groningen een
doorslaande Hobo 8 vt en Vox Humana
8 vt. Vanaf zijn eerste volledig
eigen orgel (Strijen, Sint-Lambertuskerk,
1840) vervaardigde Petrus telkens
weer doorslaande tongwerken.2
Er zijn diverse artikelen uit het verleden
bekend waarin positief geschreven
wordt over Van Oeckelens doorslaande
tongwerken, maar ... daar zit -waarschijnlijk
ook enige 'schone schijn' bij,
want de 'Public Relations' voor Van
Oeckelen schijnt (ook door hemzelf?)
in zijn tijd goed gevoerd te zijn.
In Caecilia, Algemeen muzikaal tijdschrift
van Nederland (1855), pagina
138, schrijft de Groningse organist
Siwert Meijer over Van Oeckelens
doorslaande tongwerken: "De heren
van Oeckelen, die uitmunten in het
maken van doorslaande tongen en in het aanbrengen van kracht." In hetzelfde
blad valt in 1862 op pagina 124 te
lezen: "Intussen vind ik er eene aanleiding
in, om hier de tot dusver gemaakte
orgels en belangrijke repatariën op te
noemen van mannen, die onder de
orgelmakers van den tegenwoordigen
tijd eenen eerste plaats bekleeden. Ik
bedoel P. van Oeckelen en Zonen, en
geloof niet te veel te zeggen, wanneer ik
aanmerk, dat deze bekwame orgelmakers
in vele opzigten niet ligt overtroffen
zullen worden. Zij munten vooral
uil in het aanbrengen van kracht, die
soms verbazend is b.v. in het orgel te
Steenwijk, schoonheid van geluid en het
maken van doorslaande tongwerken."
De doorslaande tongwerken vertegenwoordigen
een stijl in de orgelbouw.
Men mag de orgelhistorie geen
geweld aandoen door doorslaande
tongwerken geheel uit orgels te verbannen.'
Petrus van Oeckelens vroege doorslaande
tongwerken (Strijen, Groningen
[thans Tholen] en Smilde) blijken
geen 'doorslaand' succes te zijn
geweest.4 In de oorspronkelijke dispositie
van het Groninger orgel stond de
Hoboe 8 vt op het hoofdwerk, terwijl
op het bovenwerk een "Foxhumana 8
voet, met vrijzwevende tongen" (citaat
bestek) sprak. Een fragment van deze
"Foxhumana" met houten stevelblokken
en houten koppen, -waaronder een
liggende doorslaande tong, is in 1998
door Flentrop gebruikt voor reconstructie
van de Vox Humana op het
Van Oeckelen-orgel te Smilde.5 In
Tholen is nu als tweede doorslaande
tongwerk geen Vox Humana maar een
doorslaande Trompet 8 vt geplaatst.
Waarom heet dit register nu Chalcodion
8 vt? Men wilde de nomenclatuur
aanhouden die door Petrus van Oeckelen
-wordt gebezigd. Ongelukkigerwijs
is er maar één bewijs overgebleven: in
het rugwerk van de Grote kerk te Harlingen
staat een Chalcodion. In ieder
geval wordt nu met deze naam direct
het verschil duidelijk gemaakt tussen
de opslaande Trompet 8 vt van het hoofdwerk en de doorslaande Trompet
van het bovenwerk. Die doorslaande
Trompet (nu dus Chalcodion) werd
oorspronkelijk door M. Eertman, een
orgelbouwende herbergier, in 1913 bij
de Orgel,vnc.
een Duitse leverancier gekocht voor
zijn orgel in de Gereformeerde kerk
van Garrelsweer. De bekers in de baskant
zijn van zink. De stevels en koppen
in het groot octaaf zijn van grenen,
de overige van zink, dat laatste
maakt voor de loonvorming overigens
weinig uit. Deze stem past redelijk in
het Van Oeckelen-concept. De wat ruigere
klank geeft eigenlijk wel een
mooi, bijzonder tegenwicht bij de
'zoetgevooisde kleurstemmen' op het
bovenwerk.
De Hoboe 8 vt uit 1892, gemaakt
door de Gebroeders Van Oeckelen
voor het Holtgrave-orgel te Deventer
(1839)", met een dubbele conus op
een eng cilindrisch opzetstuk, klinkt
alsof dit register altijd in het orgel in
de Rehobothkerk te Tholen heeft
gestaan: goed in balans en geschikt
voor allerlei klankcombinaties. Een
mooi klinkend register, ondanks het
feit dat in de bas de Hoboe 8 vt nu
eenmaal wat traag aanspreekt. Of dit
door intonatie nog te verbeteren is,
valt te betwijfelen. Volgens adviseur
Dirk Bakker in zijn informatieve boek
Een zeer goed toongevend werk (zie
onder literatuur) vergen doorslaande
tongwerken "heel wat werk en geduld
om deze stemmen te laten klinken zoals
het behoort.
Pedaal
De klankverhouding pedaal - totaalklank
is goed. De later toegevoegde
pedaalkoppel naar het hoofdwerk
bewijst ook nu nog zijn nut. De Subbas
16 vt valt op door de forse mensuur
en de goede, buitengewoon brede
en fraaie toon. Fraai van karakter en
van toon zijn ook de Violon 8 vt en
Holpijp 8 vt. De rijkdom aan boventonen
van de Violon verlicht enigszins
het gemis aan een Octaaf 4 vt in
het pedaal. Een Octaaf 4 vt zou aanpassing
van de pedaallade uit 1867
hebben gevergd en daarvan kon uiteraard
geen sprake zijn. Ook de Trombone
8 vt en de Bazuin 16 vt zijn
geslaagde reconstructies. Daarenboven
geeft de Bazuin 16 vt een afgewogen
(niet te harde, niet te zachte)
sonore klank. Jammer is dat sommige
tonen in het laagste octaaf van de
Bazuin 16 vt -wat traag aanspreken; in combinatie met de Subbas 16 vt blijkt
dit euvel echter niet meer op te vallen,
we bespraken dit al eerder. Je
hoort wel vaker dat registers op een
zelfde cancel elkaar meetrekken en
van dat fenomeen is bij de intonatie
gebruik gemaakt. Daar komt bij dat
er voor het groot octaaf dubbele cancellen
en ventielen werken.
KLAVIEREN EN REGISTERS
Het ivoren inlegwerk (intarsia) op de
eikenhouten met mahoniefineer
belegde bakstukken is in volle glorie
gerestaureerd (zie foto). De nieuw
gemaakte eiken lessenaarsbak kreeg
fraai bloemmahonie-fineer. De lessenaar
staat overigens dermate steil, dat
muziek slecht blijft staan. Toch zijn
alle maten oorspronkelijk, zo verzekerde
Dirk Bakker mij. Een losse
inzetplaat, zoals bij vele lessenaars in
historische orgels in gebruik, lijkt ook
hier de meest praktische oplossing.
De registerknoppen van de manualen
zijn zoveel mogelijk weer in de oorspronkelijk
opstelling in twee rijen
boven de lessenaar geplaatst. De
pedaalregisters en de koppels zijn
respectievelijk aan weerszijden van de
klaviatuur geplaatst evenals de twee
toegevoegde registers. Alle porseleinen
registerplaatjes zijn nieuw
gemaakt. De oorspronkelijke plaatjes
worden thans, met andere waardevolle
historische bestanddelen, bewaard
in de balgenkas.
De ondertoetsen zijn weer met dik
ivoor belegd. De ebben boventoetsen
zijn opnieuw gebruikt. De boventoetsen
van het originele pedaal zijn 8
mm langer gemaakt dan de oorspronkelijke
maat. Een verstandige keuze
omdat dit het speelgemak vergroot.
De speelaard is een beetje slap j es en
het is voelbaar dat de oorspronkelijke
ventielveren niet veel 'fut' meer hebben
om de lange ventielen adequaat
en snel te sluiten. Daarom heeft Sicco
Steendam in een later stadium vijf van
deze 'vermoeide' exemplaren (er kwamen
te vaak hangers voor, ook tijdens
mijn bezoek) door nieuwe vervangen.
De oude veren worden in de balgkamer
bewaard waar ze, naar inschatting
van schrijver dezes, in de nabije toekomst
nog wel gezelschap zullen krijgen van meer ventielfamilie.
De bas- en discant-manuaalkoppel is
voor de begeleiding van de gemeentezang
een zinvol hulpregister.
Hoewel Petrus van Oeckelen niet erg
gecharmeerd was van tremulanten
(het bestek rept er met geen woord
over), vervaardigde hij voor dit orgel
een tremulant. De gereconstrueerde
opliggende tremulant geeft een aangename
slag en is aangesloten op het
kanaal van het bovenwerk, de plaats
waar naar alle waarschijnlijkheid ook
de oorspronkelijke tremulant was
geplaatst.
WlNDVOORZIENING EN TOONHOOGTE
Steendam vervaardigde achter het
orgel een nieuwe balgkamer met drie
nieuwe, grenen spaanbalgen met
eiken vouwen naar het model van
Smilde, maar ... volgens de maten van
het Groninger bestek.
Die oorspronkelijk
maatvoering levert een
spannende, zangerige
orgelklank op, maar
geeft uiteindelijk ook
grenzen aan wat een
organist met het volle
werk kan doen. Die
grenzen zijn ruim
genoeg om organisten
vele mogelijkheden te
bieden, maar iedere
organist zal zich hier
behoren te realiseren
dat het een historisch
instrument betreft. De windkanalen
zijn van eiken. Bijzonder is dat elk
werk door de bovenste twee balgen
direct met een leidkanaal wordt
gevoed. De pedaallade krijgt de wind
via de onderste balg. Petrus van Oeckelen
voorkwam met deze windvoeding
dat het bovenwerk gaat 'huilen'
vanwege een deling van de wind met
hoofdwerk en (later) pedaal. Zeker
met de gevoelige doorslaande tongwerken
is een stabiele wind per werk
een eerste vereiste. Aan de oorspronkelijke
situatie wordt zodoende thans
toch recht gedaan; immers het orgel
uit 1841 bevatte nog geen vrij pedaal
en de manualen verkregen de wind in
eerste aanleg uit twee tot maximaal
drie balgen tegelijk.
De spaanbalgen zijn met aparte regulateurs
op de windmotor aangesloten.
Treden zijn niet aangebracht. De
winddruk is 78,5 mm waterkolom
voor alle balgen.
Ten slotte de toonhoogte. Gebaseerd
op historische feiten kan men niet
anders dan accepteren dat de oorspronkelijke
toonhoogte een halve
toon boven 'normaal' is. (Dekker verlaagde
in 1925 de stemming naar a =
435 Hz). Nu klinkt het orgel terecht
weer op de oorspronkelijke toonhoogte;
een halve toon hoger. Lastig
voor koorbegeleiding en nog lastiger
als er een instrumentalist meewerkt,
maar voor de originele klank is dit
een offer dat gebracht moet worden.
CONCLUSIE
Historische gegevens en materialen
zijn bij deze restauratie en reconstructie
door orgelmakerij Sicco
Steendam en adviseur Dirk Bakker
respectvol behandeld. De kerkenraad
van de Rehobothkerk bracht de wijsheid
op om bij de opdracht voorrang
te geven aan historische boven praktische
uitgangspunten, terwijl daar op
geen enkele wijze (er is wel een
poging toe gedaan) rijkssubsidie
tegenover stond. De reconstructie en
restauratie van het orgel in de Rehobothkerk
is dermate degelijk en goed
uitgevoerd dat het instrument naar
alle verwachting tot in lengte van
jaren op eigen wijze zal aantonen dat
het alle moeite meer dan waard is.
NOTEN
LITERATUUR
Met dank aan Dirk Bakker voor de
gastvrije ontvangst in Tholen en zijn
bereidwilligheid om vragen achteraf
te beantwoorden.
Henk Kwakernaat (Strijen) attendeerde
mij op diverse elementen en feiten
in het oeuvre van Petrus van Oeckelen.
Daarvoor ben ik hem bijzonder
erkentelijk.
Wie het Van Oeckelen-/Steendamorgel
wil bespelen, kan contact opnemen
met de voorzitter van de orgelcommissie
van de Rehobothkerk,
Henri Aarnoudse te Tholen, tel.
(0166) 60 40 53. Het uurtarief is 5
euro.
Dispositiegegevens:
Tholen, Rehobothkerk Gereformeerde Gemeente
Bouwer: P. van Oeckelen, 1841, voor Academie- of Broerkerk te Groningen
Restauratie/reconstructie: Steendam Orgelbouw, 2004
Dispositie in volgorde op de laden:
| Manuaal of Hoofdwerk (Of3) | ||
| Terts | 3 1/5 vt | Discant; nieuw. Wijde mensuur (als Open Fluit 2 vt) |
| Cornet | 5 st | Discant; nieuw. Samenstelling: c1: 8 vt (gedekt), 4, 2 2/3, 2, 1 3/5 vt. Mensuur: zie Terts |
| Prestant | 16 vt | C-E gec. met Bourdon 16 vt. F-h2 in front; nieuw. c2-f3 op lade, 1841; a2,b2,c!,cis3 en e' nieuw. Alle pijpen met stemrol en kleine zijbaarden |
| Bourdon | 16 vt | C-h" eiken gedekt; c'-f3 metaal gedekt. Compleet register uit 1841. Alle metalen pijpen zijn voorzien van baarden |
| Octaaf | 8 vt | C-Cis in het front; nieuw. D-f3 op de lade. D-g2 met kleine zijbaarden, C-h2 met stemrol. D, F, H, c", cis:, d°, fis', h1, cis2, d2, dis2, e2, fis2, gis2, h2, c3, cis3, d3 en dis3 nieuw |
| Gedakt | 8vt | C-H eiken gedekt; c°-P metaal, gedekt met baarden. Compleet register uit 1841. dis3 nieuw |
| Octaaf | 4vt | Metaal. 1841. dis°,e3 en f3 nieuw. C-h1 met stemrol |
| Fluit | 4vt | Metaal. C-ej gedekt met baarden, 1841; f2-f3 wijd conisch open nieuw |
| Ged. Quint | 3vt | Metaal. C-E 18"-eeuws, oorspronkelijk frontpijpen met schijnlabia uit een kabinetorgel; ronde opsneden uit 1925 (?) ongedaan gemaakt. C-fis2 gedekt; g2-f wijd open (licht conisch); geheel 1841 |
| Octaaf | 2vt | Metaal. C-cis1 met kleine zijbaarden, f2, c3-dis3 nieuw |
| Mixtuur | 4st | Bas en discant; metaal. 68 pijpen uit 1841; rest nieuw. Zowel nieuwe als oude pijpen 40% tin Samenstelling: C: 1, 2/3, 1/2, 1/4 C°: 2, 1 1/3, 1,1/2 c': 4, 2 2/3, 2, 1 c2: 8,51/3, 4,2 |
| Fagot | 16 vt | Bas en discant. Nieuw, gekopieerd naar de Fagot van Smilde; metalen stevels en koppen, met messing band. Opslaand. Kelen en tongen messing; kelen C-ho beleerd. Bekers metaal, cilindrisch op onderconus. C-H op halve lengte |
| Trompet | 8vt | Bas en discant. Metalen koppen en stevels als Fagot. Kelen C-H beleerd. Nieuw; gekopieerd naar de Trompet van Smilde |
| Bovenwerk C-P | ||
| Prestant | 8 vl | metaal. C-e1 nieuw; C-Cis binnen afgevoerd achter middentoren. D-e1 in front. M3 op de lade; alle met kleine zijbaarden en stemrollen. f3 nieuw, rest 1841 |
| Holpijp | 8vt | C-H eiken, gedekt. C°-f3 metaal, gedekt. Alleen f3 nieuw; rest uit 1841 |
| Holfluit | 8vt | C-H gecombineerd met Holpijp; c°-hc metaal, gedekt.wijde mensuur, c'-f3' metaal, wijd open. f3 nieuw; rest uit 1841. Alle pijpen met stemrollen en zijbaarden |
| Fluit travers | 8vt | Discant. Nieuw. Metaal, open met vertraagd mensuurverloop. Smal gelabieerd, met rechte opsneden. Gekopieerd naar gelijknamig register uit Beerta |
| Viola di Gamba | 8vt | C-H en f3 nieuw; tingehalte 40%. C-f- met zijbaarden en stemrollen |
| Octaaf | 4vt | Metaal, open. C-a' met expressions. Geheel zonder baarden. Compleet register uit 1867 |
| Fluit | 4vt | Metaal. C-e2 gedekt met baarden; f2-f3 wijd conisch open. 1841 |
| Open Fluit | 2vt | Metaal. C-H gedekt; c3-P wijd open. C-h° met baarden. cG-h' met stemrollen. C-H en e° 1841; rest nieuw |
| Flajolet | 1 vt | Metaal; wijd open. C-g° met baarden, C-h3 met stemrol. E, fis2-f3 nieuw; rest 1841 |
| Chalcodion | 8vt | Doorslaand tongwerk. C-B met grenen stevels en koppen; H-f3 zinken stevels en metalen koppen. Messing tong en tongplaat (geschroefd op keel) uit een geheel. Recht gesloten kelen. Bekers trechtervormig, C-b° zink, h°-f3 tin. Vanaf cis3 repetitie op bekerlengte, f3 nieuw; rest afkomstig uit Geref. kerk Garrelsweer (M. Eertman, 1913); was voorheen Trompet 8 vt. Op corpus met slagletters: TROMPETE 8'. Halve toon verschoven i.v.m. huidige toonhoogte |
| Hoboe | 8vt | Doorslaand tongwerk. Metalen stevels en koppen. Alle stevels verlengd in 2004. Messing tong en tongplaat. Stemkrukken c:-e3 vernieuwd. Bekers van hoog tingehalte (90%). Dubbele conus op eng cilindrisch opzetstuk. Opzetstuk fnemend in lengte; vanaf c3 zonder opzetstuk. f3 nieuw. Was voorheen Hobo 8 vt, in 1892 gemaakt door P. van Oeckelen & Zonen voor het orgel in de Grote Kerk te Deventer. Bij de restauratie van dit orgel in 1975 verwijderd. Halve toon verschoven i.v.m. huidige toonhoogte. |
| Pedaal C-c | ||
| Subbas | 16 Vt | Grenen. Wijde mensuur. Stoppen met touwen handgrepen. 1867 |
| Violon | 8vt | Metaal. C-F nieuw; fisc'-d' 1867. Alle pijpen met stemrollen. C-Dis met kastbaarden; rest met zijbaarden. Laag opgesneden |
| Holpijp | 8vt | C-H eiken, gedekt; wijde mensuur, 1841, voorheen Holfluit 8 vt BW.c°-f metaal gedekt; met baarden; 1867 |
| Bazuin | 16 vt | Metalen stevels en koppen. Makelij als Trompet 8 vt HW. Kelen geheel beleerd. |
| Trombone | 8vt | Nieuw Zie Trompet 8 vt HW |
Werktuigelijke registers:
Manuaalkoppel bas en discant
Pedaalkoppel
Tremulant
Windlosser
Vacant
Calcant (bediening orgelmotor en verlichting)
Alle open pijpen hebben vaag ingeritste spitslabia
Winddruk: 78 1/2 mm Waterkolom.
Toonhoogte: a = 462 Hz bij 19'C
Stemming: evenredig zwevend