Interview met Sietze de Vries (slot) - Ik voel me in de eerste plaats kerkorganist”
Je bent als improvisator veelzijdig en je niveau is in alle stijlen bijzonder hoog te noemen.
Wanneer ik terugkijk in de recente orgelgeschiedenis, concludeer ik dat jij één van de weinigen bent die, anno nu, zich durft te vertonen in alle stijldisciplines. Ben je het eens met de eerste vaststelling?
De kerkgangers in Zuidhorn krijgen verschillende klanken te horen, en vaak heeft dat te maken met het concert dat ik dan in de afgelopen week gegeven heb.
Ik zou ook niet willen kiezen voor één bepaalde stijl; wel probeer ik steeds vanuit
het instrument waar ik op speel te denken. Op een Schnitgerorgel speel je niet alleen andere literatuur dan op bijvoorbeeld
een Adema-orgel, maar je improviseert er ook anders op. Hierin ben ik zeker niet de enige: Klaas Bolt deed
het, en Jan Jongepier vind ik nog steeds één van de grootste improvisatoren; van ieder orgel weet hij feilloos
het karakter naar buiten te brengen.”
Je hebt wel eens het verwijt gekregen uit orgelacademische kringen, om het zo maar samen te vatten, dat je door terug te grijpen op
stijlen uit het verleden, de voortgang van de orgelliteratuur zou kunnen belemmeren. Wat vind je van die kritiek?
“Die kritiek suggereert dat er nog steeds een doorgaande lijn in de orgelkunst te ontdekken is. De
praktijk is, dat men in de orgelbouw bijna uitsluitend historiserend is gaan werken, en dat ook steeds meer componisten teruggrijpen op de
muziekhistorie. Hetzelfde zien we bij de beeldende kunst: figuratief is niet meer persé fout; kijk maar eens naar de populariteit van
bijvoorbeeld een schilder als Henk Helmantel. In het vernieuwingsproces is veel van de oude ambachten, met
hun natuurgegevens als drieklanken en verhoudingen, verloren gegaan. Zo’n proces is misschien ook wel noodzakelijk om tot
iets nieuws te komen, maar dat is tegelijk het probleem: is er wel iets nieuws? Ik
kan me niet aan de indruk onttrekken dat er veel geëxperimenteerd is en wordt,
maar dat zowel de orgelbouw als de scheppende toonkunst op orgelgebied geen wezenlijk nieuwe zaken gebracht
hebben in de tweede helft van de vorige eeuw. Ook heb ik niet het idee dat we ergens naar toe gaan,
het lijkt meer op een zoektocht die vooral terugblikt. De rijkdom van deze tijd is denk ik juist, dat we zoveel documenteren, en
veel kennis en overzicht hebben van allerlei tijdperken. Opvallend is, dat we juist daardoor zijn gaan ontdekken hoeveel moois er in
al die oude kunsten samengebald is: het idee dat we door de tijd heen beter en slimmer worden is daardoor wel
teniet gedaan! Tegelijk vind ik dat en wel een duidelijke plaats moet zijn voor eigentijdse muzikale creativiteit, maar dan wel naast, en niet boven of in plaats van andere al dan niet
geïmproviseerde muziek.
Het is trouwens ironisch dat veel organisten die beweren ‘eigentijds’ te improviseren, een idioom gebruiken dat soms
al vijftig of honderd jaar oud is. De dodecafonie (twaalftoonstechniek, WvT) is al een eeuw oud, en Messiaens modi zijn ook bepaald niet modern meer te noemen ... Waarom zou ik dan niet
het recht hebben om in een stijl van twee- of driehonderd jaar geleden te improviseren,
vooral als dat bij het orgeltype past? Bovendien moet het wel functioneel blijven:
het overgrote deel van de muziekliefhebbers is nu eenmaal niet meegegroeid met modernere
muziekstijlen. Dat wil niet zeggen dat je dat nooit moet laten horen, maar je hebt natuurlijk
wel rekening te houden met je publiek; je speelt toch in de eerste plaats voor hen, en niet voor
jezelf. Ook composities moeten functioneel zijn; ik kan wel allerlei originele gedachten in een modern idioom aan
het papier toevertrouwen, maar als dat vervolgens in een la verdwijnt en niet
gespeeld wordt, is het weinig zinvol. Bovendien schrijf ik het liefst voor de kerkorganisten als
doelgroep: dat is een dankbare markt, die zinvol gebruik maakt van je werk.
Heb je in je nog tamelijk korte concertpraktijk dingen meegemaakt die je verrast hebben?
De grootste verrassingen kwamen eigenlijk toen ik meer in het buitenland ging
spelen. Dan ontdek je dat Nederland twee kanten van dezelfde orgelmedaille heeft. Aan de ene kant leer je des te meer de enorme rijkdom aan orgels en goede organisten waarderen, maar aan de andere kant merk je dat
het fenomeen ‘veel-goede-spelers-op-een-kluitje’ wel eens problemen oplevert. De honoraria in bijvoorbeeld Duitsland of Zwitserland liggen twee tot vijf
keer hoger dan in Nederland, en de waardering en aandacht bij het publiek zijn vaak veel groter.
Verder ontkom je in Nederland niet aan veel kritiek: kenners te over en (voor)oordelen genoeg.
Toch wil ik voor geen goud weg uit ons orgelparadijs, daarvoor is het mij veel te
lief. En gelukkig is er naast kritiek ook veel waardering voor de concerten; het is dankbaar spelen als je merkt dat en een enthousiast
publiek zit, en dat je dezelfde mensen vaak weer terugziet. Ik merk ook, dat juist improvisaties in oude
stijlen op Psalmen en Liedboekliederen aanslaan; hoewel het draagvlak bij de
vakwereld steeds kleiner wordt, merk je bij het publiek een gretige interesse. In feite is
het een gat in de markt om op de smakeloze brij van menig religieus getint concert of
tv-programrna een kwalitatief hoogwaardig antwoord te geven!
Hoeveel concerten telt je agenda voor 2002?
“AIs ik alle aanvragen binnen heb, kom ik waarschijnlijk op ruim dertig orgelconcerten en zo’n vijftien concerten met koren en dergelijke uit.
Verder komen daar altijd nog de nodige excursies en orgeldemonstraties bij. Ook speel
ik ruim honderd kerkdiensten per jaar, en daarin doe ik nogal eens ideeën op voor de concerten, of
probeer ik nieuwe stukken uit.”
Hoe zijn je ervaringen in het buitenland voor wat betreft het concerteren en hoe wordt er
op je improvisatiekunst gereageerd; zeker wanneer je ook in bijvoorbeeld barok-, of romantische
stijl improviseert.
In sommige landen is het improviseren totaal onbekend, het is daar volstrekt ondenkbaar dat je ook zonder een
boek op de lessenaar muziek kunt maken. In Duitsland, Denemarken en Zwitserland werden vooral de improvisaties in
barokstijl uitbundig ontvangen. Ook als ik zelf maar matig tevreden was, kregen ze er daar niet genoeg
van! Het ging zelfs zo ver dat er een keer een krantenkop verscheen met de tekst: ‘Het leek alsof Bach was opgestaan’. Zulke recensies zijn in Nederland absoluut ondenkbaar: daar zijn we veel te nuchter voor. En misschien maar beter ook;
het dwingt je tot prestaties, en je gaat minder snel naast je schoenen lopen. Hoewel dat op
klompen toch gemakkelijk kan.
INVLOEDEN
Zijn er naast jouw docenten nog andere personen die voorjouw loopbaan bijzonder bepalend zijn geweest?
Op deze plaats wil ik zeker orgelbouwer Bernhardt Edskes noemen. Sinds ik hem in 1999 voor
het eerst ontmoette, heb ik onnoemelijk veel van hem geleerd. Vooral omdat hij zeer bereisd is — ‘the Flying Dutchman’ noemt hij zichzelf — heeft hij veel praktijkervaring met orgels en muziekbeoefening in verschillende landen. Hij is niet alleen orgelmaker en organist, maar heeft een zeer brede interesse als het om (levens)kunst gaat. Hij heeft voor mij veel deuren in
het buitenland geopend, omdat hij daar een bekend en gerespecteerd orgelmaker is.
Bernhardts broer Cor Edskes is ook een onuitputtelijke bron van kennis; door zijn enorme kennis als organoloog weet hij
verbanden te leggen die zeer overtuigend en verrassend zijn. Ook hij heeft me vele
praktische tips gegeven op het gebied van interpretatie en registratie van oude muziek. Verder is het onmogelijk om
iets in dit vak te bereiken zonder een trouwe vriendenkring om je heen. Ze stimuleren je, geven je
ideeën maar ook kritiek, en geven je een thuisbasis die voor de onmisbare rust en balans
zorgt.
Wanneer kreeg je in je jeugd de wens om orgel te gaan spelen? Welke organisten -live of via geluidsdragers- hebben je liefde voor het orgel gestimuleerd? Anders gezegd: hoe
ben je voor het orgel enthousiast geworden?
Er wordt al jaren door psychologen gediscussieerd over de ontwikkeling van kinderen: zit muzikaliteit
al in de genen, of is de omgeving doorslaggevend? Ik ben een voorbeeld van het eerste:
al vanaf dat ik rechtop kon staan, hadden toetsen een magnetische aantrekkingskracht
op mij. Pas vanaf mijn negende kreeg ik echt orgelles, maar toen kon ik al met twee handen en pedaal
eindeloos fantaseren. Het viel dan ook niet mee om weer helemaal terug naar af te moeten met Folk Dean deel I maar mijn eerste docent, Jaap Niewenhuijse, wist daar gelukkig prima mee om te gaan.
Ik heb bij hem een uitstekende basis gekregen, later voortgezet op de muziekschool te Zuidhorn
bij Jan Hut.
Ons gezin was niet overdreven muzikaal, wel heeft mijn vader vroeger orgel gespeeld. De
orgelplaten die hij en ook mijn grootvader hadden, zijn zeker van invloed geweest
op mijn ontwikkeling. Ik herinner me nog dat ik eens samen met m’n vader een nieuwe
LP ging kopen, en dat ik er een van Dirk Jansz. Zwart uitkoos, die daarop het orgel van de Laurenskerk
te Rotterdam bespeelde. Op die plaat stond onder meer de D-dur van Bach, en ik vond dat
zo mooi, dat ik ‘m onmiddellijk probeerde zelf in te studeren. Tijdens mijn basisschool- en ook middelbare schooltijd heb ik niets anders gedaan dan orgels tekenen en disposities maken. Nog altijd kan
ik uren naar fraaie orgelfronten kijken; ons instrument is toch een unieke combinatie van auditieve en visuele
kunst!
Ook de eerste compositieprobeersels komen uit mijn basisschooltijd. Mijn voorliefde voor orgelbouw wend aangewakkerd door Jan Weessies uit Bedum; in zijn self-made ongel in de Goede
Herderkerk heb ik heel wat uurtjes doorgebracht.
Vind je het maken van cd-opnamen belangrijk voor je ontwikkeling als speler en voor de ontwikkeling van je muzikale loopbaan?
Om een cd te maken, wil je de op te nemen muziek natuurlijk door en door kennen, en
ben je er daarom intensief mee
bezig. In die zin is een geluidsdrager een soort afsluiting van een periode: zo dacht ik er
toen-en-toen over. Maar je muzikale ontwikkeling staat niet stil;
al snel na een cd-productie kun je weer anders over muziek gaan denken, en speel
je anders. Als document is het dan leuk, maar soms kun je er zelf niet meer helemaal achter staan.
Natuurlijk is
het wel een groot voordeel dat je op een relatief eenvoudige manier veel mensen bereikt, maar
het ‘bevriezen’ van muziek is wel iets waar je vraagtekens bij kunt zetten. Vooral als daardoor de verwachtingen van
het publiek steeds hoger worden, Veel mensen kiezen voor een cd naar keuze in plaats van
een live-concert. Dit fenomeen heeft zeker op improvisatie gehied twee kanten: natuurlijk
vind ik het prachtig als de cd’s goed verkopen maar aan de andere kant is improviseren
een bijzondere kunstvorm:
het ontstaat en vergaat op hetzelfde moment. Door ze in te blikken, neem je een deel van de charme weg
Heb je een voorliefde voor een bepaalde stijlperiode in de orgelbouw?
Het mooie van ons instrument is, dat er wereldwijd zo enorm veel variiatie in te vinden is. Maar als ik dan toch
een orgeltype uit zou moeten kiezen, wordt dat zeker
het Noord-Duitse barokorgel. Zoals Arp Schnitger zijn instrumenten bouwde, die perfecte samenhang tussen alle onderdelen, de vormgeving, de uitgebalanceerde disposities: dat is
voor mij toch wel een piek in de orgelhistorie. Op dit
orgeltype voel ik me
thuis, en voel me daarom als een vis in het water in het hoge noorden. Vanuit dit ‘thuisgevoel’
speel ik daarnaast ook graag ter afwisseling op andere orgeltypen, waarbij het Fransromantische orgel zoals
Cavaillé-Coll dat bouwde een van mijn favorieten is. Het
kleuren met registercombinaties en de enorme dynamische mogelijkheden (zwelkast
e.d.) spreken enorm tot mijn verbeelding, zeker in combinatie met grote kathedralen. Orgels gaan ook pas echt leven wanneer je er de passende muziek op speelt. Zo was
het voor mij een openbaring om "Ein feste Burg" van Reger op het grote Sauer-orgel in Leipzig te
spelen. Opeens is het volstrekt duidelijk waarom Reger die krankzinnige hoeveelheid
noten aan
het papier toevertrouwde: zo’n orgel heeft dat nodig. Als je dat werk vervolgens op een achttiende-eeuws Nederlands orgel met veel vulstemmen wilt spelen, moet je de klankwereld van zo’n Sauer-orgel
wel in je achterhoofd hebben, en aan het vertalen slaan.
De toekomst voor organisten, en zeker voor ‘gewone’ goede kerkorganisten, is niet bepaald
rooskleurig te noemen. En het ziet er naar uit dat het eerder slechter dan beter wordt. Hoe zie jij
de toekomst?
Zolang er in veel kerken geen of een slecht muzikaal beleid wordt gevoerd, zal
het alleen maar erger worden. Vooral het totaal ontbreken van cultuur, een door radio en tv
gevormde wansmaak en
het ontbreken van elementaire kennis van liturgie is dodelijk voor muzikanten en andere kunstenaars.
Ik hoop natuurlijk dat de kerken weer uit het dal klimmen en dat er nog toekomst is voor onze fantastische
protestantse kerkmuziektraditie, maar vooralsnog wordt het en niet beter op.
Het vak van kerkorganist wordt inmiddels serieus bedreigd, en pogingen om het orgel onder een breder publiek bekend te maken, juich ik dan ook toe. Maar de wortels van
het instrument liggen uiteindelijk toch in de kerkelijke traditie, en ik hoop dan ook dat die niet zal
verdwijnen in Nederland.
Ik voel me toch nog altijd in de eerste plaats kerkorganist: binnen de liturgie werkzaam zijn is één van
mijn eerste levensbehoeften.
Wat zou je graag op het gebied van kerkelijk orgelspel veranderd zien? Of vind je
de situatie wel goed zo in Nederland?
Het merkwaardige fenomeen doet zich voor, dat de kerken met de meeste leden vaak
het slechtst georganiseerd zijn op het gebied van kerkmuziek. Goede vakorganisten hebben vaak maar een
handjevol mensen onder hun gehoor, terwijl allerlei lieden zonder opleiding hun duizenden verslaan.
De kerken, en ook een omroep als de EO, houden dit in stand en stimuleren het zelfs.
De kennis en de vaardigheden verdwijnen daardoor steeds meer uit het kerkelijke
blikveld. Het niveau is in veel kerken tot ver beneden het vriespunt gedaald, en ik zie daar
voorlopig nog geen kentering in komen zolang en vanuit de kerken zelf geen impulsen
komen. Iets unieks als de typisch Nederlandse massale samenzang dreigt zo aan wansmaak ten onder te gaan.
De arbeidsrechtelijke situatie van de kerkorganist is, met uitzondering van de SOW-kerken, in ons land niet echt goed geregeld. Ligt dit ook aan het
ontbreken van status van de organist? Hoe zijn jouw ervaringen als kerkorganist? Veel kerken betalen niet of
nauwelijks en de organist heeft geen status
Deze twee elementen versterken elkaar. Mijn eigen ervaringen als kerkorganist
zijn tegenstrijdig: aan de end kant ken ik geen mooier werk dan het actief in de zondagse liturgie bezig zijn, en aan de andere kant heb ik inmiddels ook de nodige frustraties opgedaan in de kerk.
Omdat je als organist geen status hebt, heb je dus ook geen inbreng. Iedereen mag
meedenken en beslissen over het wel en wee van de kerkmuziek, en meestal loopt dat uiteindelijk uit op
een soort
infantiel muziekgebruik om zogenaamd buitenstaanders in de kerk te krijgen, of om de jeugd vast te houden. Naar mijn stellige overtuiging is de enige manier om als kerk overtuigingskracht te hebben:
kwaliteit in
zowel woord als muziek. Van een predikant verwachten we veel: een goede opleiding
bijvoorbeeld is vanzelfsprekend, terwijl iedere Jan
Boerenkool welkom is achter de orgelklavieren. En dan heb ik het nog niet over het gemiddelde
niveau van
instrumentale groepjes die menen ‘eigentijdse’ muziek te moeten brengen. Zolang het kan, zal
ik proberen de rijke kerkmuzikale traditie in stand te houden, maar ik ben bang dat
veel kerken uiteindelijk ongeloofwaardig en dus erg leeg zullen worden door lage drempels en open deuren. Maar gelukkig hangt dat niet alleen van ons af...”
KINDERPROJECTEN
Onder de noemer ‘erfgoededucatie’ probeert de Stichting Groningen Orgelland ook kinderen en
jongeren voor het orgel te interesseren; de toekomst van het instrument hangt immers mede af van hun interesse
ervoor. Bij de ingebruikname van het gerestaureerde Schnitger-orgel te Uithuizen in juli 2001 is voor het eerst het kinderproject ‘Pijpen zoeken met Piet Prestant’ uitgevoerd. Dit project, gemaakt door Sietze de Vries, bestaat uit een verhaal dat zowel visueel als auditief aantrekkelijk is gemaakt voor (jonge) kinderen. Behalve een verteller spelen de organist, een slagwerker en een tweetal ‘orgel-elfjes’ een
grote rol. In het verhaal komen personages als Piet Prestant, Flip Fluitjes, Tom Toeter en Bas Blaasbalg voor, die op het orgel tot klinken komen. De slagwerker zorgt voor de bijzondere effecten, terwijl de orgel-elfjes de verschillende pijpen laten zien, en er ook bij zingen. Uiteraard komen alle aanwezige kinderen
ook in actie; ze zingen het slotlied, en krijgen een papier met vragen mee dat ze op school verder kunnen uitwerken.
Speciaal voor dit project is door Bernhardt Edskes Orgelbau een orgelmodel gemaakt, dat duidelijk de werking van het instrument
laat zien en horen. Het project wordt binnenkort als lespakket door de SGO aangeboden; basisscholen of orgelcommissies kunnen erop inschrijven. Het verdient de voorkeur om het in een oude kerk met een historisch orgel uit te voeren; voor de kinderen valt er dan veel meer te zien, en vaak ook te horen. Bovendien komen ze zo niet alleen met het instrument
zelf, maar ook met een stukje rijke (kerk)cultuur in aanraking, die ze vaak niet of nauwelijks kennen.
Meer informatie is binnenkort te vinden op de site van de Stichting Groningen Orgelland:
www.groningenorgelland.nl