Het Mense Ruiter-orgel in de Noorderkerk te Spakenburg
Het 31 registers tellende nieuwe Mense Ruiterorgel in de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt (de Noorderkerk) te Spakenburg staat in deze ruimte alsof het er altijd heeft gestaan. Het frontontwerp is in harmonie met de kerkruimte en maakt visueel een sterke indruk. Of dit ook geldt voor de
klank en de dispositiekeuze wordt in dit artikel van Willem van Twillert duidelijk. Adviseur Jan Jongepier en Jan Veldkamp en zijn medewerkers hebben
zich bij de bouw van dit orgel gebaseerd op een concept van de orgelmaker H.H. Freytag. Overigens was Van Twillert van 1969 tot 1979 organist in de Noorderkerk.
De originele vormgeving van het nieuwe orgel in de Noorderkerk te Spakenburg dwingt respect af.
Het instrument staat in een hoek van 45 graden tegen de zijwand van de kerk, naast de preekstoel op de voorkant van een van de drie galerijen. Door het orgel schuin te plaatsen is er een optimaal
zicht behouden voor de kerkgangers die op de galerij zitten. De ruimte achter het orgel is benut voor de windmotor, de balgstoel en de aparte pedaalkas (niet
zichtbaar op de foto).
Opvallend zijn de verticale achthoekige stijlen die de pijpenvelden verdelen. De uiteinden van deze
stijlen zijn op een verwante manier afgewerkt als de trekbalken van het plafond van de kerkruimte
(zie foto). Een vondst is de plaatsing van een pedaaltoren waarin het pijpwerk van Prestant 8’, Trompet 8’ en Cornet 4’
een plaats hebben. De rest van het Pedaalpijpwerk staat in een kas die door een gangpad van het Hoofdwerk is gescheiden.
De ontwerper, Dolf Tamminga, heeft ervoor gezorgd dat alle tongwerken goed bereikbaar zijn; voor
het regelmatig stemmen is dit een vereiste. Wanneer je het orgel van voren in ogenschouw neemt (en de
pedaaltoren even wegdenkt), zie je de symmetrie in de pijpenvelden. De plaatsing van een in
een driehoek uitlopende middentoren, geflankeerd door semi-vierkante velden oogt subtiel en verleent het geheel een spannend, stoer en overtuigend uiterlijk. Daarbij
varieert het enigszins op Art Deco en Jugendstil gefundeerde lofwerk aan de boven- en onderkant van de pijpenvelden,
het geheel de nodige zwier. Dit lofwerk werd ontworpen en gesneden door Tico Top.
De kleurstellingen werden door Berend Raangs bepaald. De achtergrond van het houtsnijwerk (vervaardigd via ontwikkelingswerk in
het Albanese Gjirokaster door Vait Brahimi) is ‘gehoogd’ (belegd) met bladgoud in een chroomoxyderend groen (Spaans
groen), zodat dit speelse element fraai contrasteert met de donkerrood-bruine kas (zogenaamd dodekoppaars).
De kas is door restauratieschilder Lammert Muller geschilderd met zelfgemaakte verf, gebaseerd op pigment en
het bindmiddel caseïne, waardoor deze verf de houtnerf laat doorschijnen.
![]() |
|
Het oude Dekker/Leeflang-orgel. |
GEEN NAGALM
De klankwerking van het orgel in deze aan twaalfhonderd kerkgangers ruimte biedende kerk is in
algemene zin problematisch. De ruimte geeft nauwelijks nagalm. Toch fungeert de ruimte in zoverre goed, dat in
alle hoeken van de kerk de klank present is. Zelfs het vorige kleine, op unit-systeem gebaseerde
Dekker-orgel was overal waarneembaar. De adviseur, Jan Jongepier, stelde in zijn
programma van eisen onder meer, dat het nieuwe instrument veelkleurige en zelfs ook
kamermuziekachtige elementen moest gaan bevatten. Een terechte keuze. Hierin is de firma
Mense Ruiter geslaagd, althans binnen de beperkingen die de keuze van een Freytag-concept met
zich meebrengt. Hierover straks meer. Nu eerst een beknopte beschrijving van de klank.
HOOFDWERK
De totaalklank van het Hoofdwerk is zeker niet opdringerig, het ademt rust en
voornaamheid uit, belangrijk voor een akoestisch ‘droge’ ruimte. De drie registers op 16’-basis
versmelten prachtig. De mixtuur 4-6 sterk is fraai van belijning en mooi in balans.
De keuze om het tertskoor in de vorm van een apart register, de Tertiaan 2 sterk, te gieten is uitstekend.
De versmelting van de klank heeft ook te maken met de tertsopstelling van het pijpwerk op de lade, waardoor de
resonantie van elke pijp aan de overige pijpen wordt doorgegeven. Alle registers zijn grosso modo
goed getroffen qua karakter en aanspraak. Enkele registers springen er in optima forma uit. Zo is de Trompet 8’
een juweel: een vol, grondtonig timbre, mooi in balans (een tongwerk behoort naar de discant toe steeds jets luider te gaan klinken, om de balans goed te houden) en goed
aansprekend. Dit register is uitstekend in het plenum te gebruiken maar ook als solostem, al of niet aangevuld met de Octaaf 4’, Fluit 4’, of Quint 2 2/3, Quintadeen 8’ en/of Roerfluit 8’,
fungeert deze Trompet 8’ optimaal. Helaas is dit tongwerk nog onvoldoende stemvast.
De Fagot 16’ is ook als soloregister fraai te gebruiken mits een octaaf hoger gespeeld. Een minpunt is dat de bastonen van de Fagot 16’ niet voldoende alert reageren. Tijdens
het inwijdingsconcert was deze stem op dit punt beter in orde dan in augustus 1997, toen ik er weer speelde. Dit verdient nog aandacht.
De Prestant 8’ is fraai van streek en heeft een spannend toonpalet. Duidelijk is te horen hoe door
het afzien van kernsteken de toon niet beroofd werd van boventonen, resonans,
karakter en kleur. (Kernsteken worden aangebracht om de aanspraak snel te maken, en
de ruis te verminderen, maar daar staan nadelen tegenover, zoals een matte toon door verlies van resonans, boventonen en
karakter). Jan Veldkamp slaagde erin om ook zonder kernstekeneen alerte aanspraak
te verkrijgen zonder al te veel ruis in de toon. Dit getuigt van vakmanschap. Dat er geen
kernsteken behoefden te worden aangebracht heeft ook te maken met de manier waarop de pijpen worden
gemaakt. Het orgelmetaal werd naar maatvoering en legering van Klaas Veldman door Steffani gegoten, op platen
uitgesneden en gelabieerd vervolgens door de orgelmakers in eigen atelier geschaafd en in elkaar
gezet. De kernen werden vastgesoldeerd; zodoende had men de toonvorming dermate in eigen hand dat
kernsteken niet nodig waren.
Hierna gingen de pijpen weer terug naar Steffani, die ze rondzette en de naden aan
elkaar soldeerde. De Roerfluit 8’ is qua toon net iets te mager uitgevallen om perfect genoemd te worden. Dat is
jammer, want de ruimte smeekt als het ware om veel grondtoon en warmte. In dit kader bezien vind ik de Quintadeen 8’ ook
iets te pittig quinteren, maar in een ensemble gekozen is het een heerlijke, karakteristieke
klank, die als Haarlemmerolie werkt in het plenum. Overigens komen we een Quintadeen in de orgels van Freytag niet tegen.
De lezer zal, op dit punt aangekomen, wellicht denken: wanneer deze bespreking zo doorgaat dan kunnen we nog een pagina
registerdetaillering verwachten. Welnu, daar zie ik dan ook vanaf. Enerzijds omdat
het gevaar dreigt dat deze beschrijving te abstract wordt, anderzijds omdat de grote
lijn in een bespreking belangrijk is. Zou ik beide aan bod laten komen, dan valt dit artikel te groot uit.
PEDAAL
Het Pedaal bezit zeven registers; toch blijkt in de praktijk de klank te weinig flexibel. Bij zacht spel mis je
een gedekte 8’. In dat geval ben je gedwongen te koppelen. De keuze voor een Cornet 4’ ten
koste van een Bourdon 8’ vind ik discutabel. Overigens is op deze Cornet 4’ klanktechnisch
niets aan te merken. Vanwege de plaatsing in de pedaaltoren kan dit register flink uitklinken, waandoor
het gevaar wel aanwezig is dat hij ten opzichte van de andere stemmen te luid klinkt, maar vanwege de mooie
toonkwaliteit acht ik dit geen probleem. Mijn twijfel of de kerkgangers in de Noorderkerk de Cornet 4’ de
beste keus vinden voor hun kerkgebouw is echter eerder toe- dan afgenomen.
DIPOSITIEKEUZE
Elk gebouw, en zeker dit gebouw, vergt een eigen keuze wat dispositie betreft. Een
strijkersklank ontbreekt. Dit acht ik een gemis. Het argument dat bijvoorbeeld een Viola di Gamba 8’ in
het oeuvre van Freytag niet voorkomt, zoals Jongepi er aanvankelijk stelde, acht ik niet relevant. Los daarvan lijkt het me logisch dat
nieuwbouw zo goed mogelijk moet aansluiten bij het kerkgebouw, de gemeente en de gangbare
liturgie. Het kerkgebouw stamt uit 1878, terwijl Freytag stierf in 1811. In wezen is
het dus een archaïsch concept, dat hoeft op zich geen probleem te zijn, maar de adviseur heeft
zich naar mijn mening voor Spakenburg onvoldoende ingeleefd in de sfeer en traditie van
de liturgische momenten in de Noorderkerk, waar veel zacht orgelspel wordt verlangd.
Veelkleurigheid in grondstemmen is dus een vereiste. Naar mijn mening had de dispositie niet alleen een Viola di Gamba 8’ maar ook
een Unda maris 2 sterk mogen omvatten.
Op dit moment bouwt de firma Mense Ruiter in Enter (bij Rijssen) een 22 stemmen tellend orgel, waar
een Unda maris 8’ is gedisponeerd, terwijl ook daar wordt uitgegaan van een
Freytag-concept. (Een Unda maris 8’ is een twee sterk strijkende Prestant waarvan
één toon op de terts licht zwevend is gestemd. Het verschil met de Vox Celeste is, dat de Unda
maris minder eng gemensureerd is en iets sneller zweeft.)
Samenvattend:
tenminste één strijker had niet gemist mogen wonden in een dispositie van 31 stemmen. Ook
een Bourdon 8’ in het Pedaal, naast een Octaaf 8’ is hij deze omvang een vereiste. Je kunt niet alles in het
Pedaal met koppelen opvangen, zeker niet bij een dergelijke grote dispositie. Ik kan
me voorstellen dat een latere generatie dit gemis aan een volledig kleurenpalet in de
grondstemmen voor het Spakenburgse Noorderkenkorgel wellicht als fantasieloos en weinig gedurfd zal bestempelen.
Immers: vasthouden aan een Freytagdispositie en het kopiëren van registermensuren c.d. mag
zeker, maar mag niet ten koste gaan van toepasbaarheid in het heden. Het mag geen doel op
zich zijn. In dit verband een citaat. Het is afkomstig uit een vraaggesprek met de
Amerikaanse architect Frank Gehry (1929) die het Guggenheim-museum in Bilbao (opening 3
oktober) ontwierp. Marina de Vries noteerde in Het Parool van 23 augustus 1997
ondermeer de volgende uitspraak van Gehry:
“Ik ben opgegroeid in een tijd waarin het modernisme begon te vervelen. Plotseling
keerde de nieuwe genenatie architecten terug naar de tempels. Dat heeft me erg van mijn stuk gebracht.
Ik heb het altijd belangrijk gevonden om naar eigentijdse mogelijkheden te zoeken en niet te buigen voor
het verleden. Dat doe je alleen als je wanhopig bent of zelf geen ideeën hebt; dan
ga je kopiëren.”
Met dit citaal wil ik geenszins aantonen dat Jongepier wanhopig was of dat niet mag kopiëren,
maar wel is het zaak op dit punt steeds alert te blijven en na te gaan wanneer de tijd rijp is om met de opgedane kennis uit het
verleden weer verder te gaan. Overigens twijfel ik ook geen moment aan de kennis en kundigheid van Jongepier.
RUGWERK
De Sexquialter zou m.i. beter in de ruimte klinken wanneer deze drie sterk was gemaakt. Dat was ook conform Freytag geweest, want zijn Sexquialters zijn altijd 3 sterk. Nu is
dit register door het gemis van een Fluit 2' in de samenstelling wat iel voor deze droge
ruimte. De Fluit 2’ op het Rugwerk mengt uiteraard minder in de Sexquialter dan wanneer deze
deel uitmaakt van de Sexquialter en dus van één cancel wind krijgt, waardoor versmelting optimaal is.
De Fluit 4’ en Nasard 3’ vormen een mooi tegenwicht vanwege de zangerige
fluwelige, ronde klank. De Nasard 3’ is bijzonder geslaagd evenals de Prestant 8’ discant. Aanvankelijk waren er problemen met de stabiliteit van de wind bij
het Rugwerk, maar na installatie van een extra balgje zijn deze opgelost. Het totale instrument staat thans
mooi op de wind.
De Dulciaan 8’ is fraai belijnd, spreekt goed aan, maar klinkt wat mager. Dit tongwerk mist
grond en dat kan deze ruimte, zoals ik al stelde, slecht hebben. Na langer
luisteren raak je vermoeid en wens je meer ‘Romantiek’ in de klank.
HET FREYTAG-CONCEPT
Over de keuze voor een Freytag-concept laat ik Jan Veldkamp van Mense Ruiter aan
het woord:
“We willen niet pretenderen een Freytag-orgel te reconstrueren. We zien Freytag
wel als onze leraar. Niet alles is te plannen vanuit een mensuurbeeld, maar het feit dat je
het instrument als geheel stoelt op een stijleenheid en conceptie, zorgt ervoor dat
je gedegen en gericht kunt werken en dat je zo ook minder risico loopt. Hoe deed Freytag
het met zijn windkanalen en wind, zijn behandeling van pijpwerk, noem maar op.” Vanaf 1988
richten Jan Veldkamp en medewerkers, samen werkend onder de naam Mense Ruiter,
zich met succes naar dit concept. Winsum was het eerste orgel in deze trant. Veldkamp:
“Winsum zit anders in elkaar we zijn weer bij Freytag te rade gegaan, weer
maatvoeringen gaan berekenen enzovoort. In Spakenburg vonden we de winddruk van 72 niet goed. We
verhoogden die naar 80. Uiteindelijk sloot het pijpwerk op 76 het beste. Ga je naar
een lagere winddruk, dan is het pijpwerk te dik.” De resonans van de toon acht
Veldkamp ook belangrijk “Alle pijpen resoneren mee, ook al spreken ze niet. Je voelt de resonans ook in andere
pijpen. Maar wil je dat bereiken, dan weet je dat je eigenlijk niet chromatisch
kunt bouwen. De volgorde op de lade zal bij voorkeur in tertsopstelling of in hele tonen moeten
plaatsvinden".
SPEELAARD
De speelaard is voortreffelijk. De bediening van de koppels geeft jammer genoeg problemen
omdat die aan de buitenkant van de registratuur geplaatst zijn, terwijl het logischer is
deze zo dicht mogelijk bij de klaviatuur onder handbereik te hebben. De afwerking
van de klank heeft vele maanden in beslag genomen. Hier en daar is dit aan het pijpwerk
af te lezen doordat pijpen verlengd zijn. Een probleem was hierbij het gegeven dat de
kerkruimte de grondtonigheid absorbeert. Daarom was en extra werk nodig om de Subbas 16’ en labiale achtvoeten de gewenste
resonans te geven. Uiteindelijk is het resultaat uitstekend te noemen. De Subbas 16’ heeft voldoende grond, hoewel
het in het laagste octaaf niet overhoudt.
NAWOORD
In deze bespreking heb ik getracht de lezer ook inzicht te geven in de problematiek die orgelbouw omgeeft.
De kritische kanttekeningen willen echter geenszins zeggen dat het uiteindelijke
resultaat in de Noorderkerk te Spakenburg als onvoldoende is te bestempelen
Integendeel, het is een majestueus orgel geworden van een uitstekende kwaliteit,
zowel visueel als in klank, factuur en speelaard.
Dispositie:
| Hoofdwerk: | Rugwerk: | Pedaal: | ||||
| Prestant | 16 discant | Prestant | 8 discant | Subbas | 16 | |
| Bourdon | 16 | Holpijp | 8 | Prestant | 8 | |
| Prestant | 8 | Prestant | 4 | Roerquint | 6 | |
| Roerfluit | 8 | Roerfluit | 4 | Octaaf | 4 | |
| Quintadeen | 8 | Nasard | 3 | Bazuin | 16 | |
| Octaaf | 4 | Octaaf | 2 | Trompet | 8 | |
| Gemshoorn | 4 | Woudfluit | 2 | Trompet | 4 | |
| Quintprestant | 3 | Mixtuur | 3-4 st. | |||
| Superoctaaf | 2 | Sesquialter | 2 st. | |||
| Cornet | 4 st. discant | Dulciaan | 8 | |||
| Tertiaan | 2 st. | tremulant | ||||
| Mixtuur | 4-6 st. | |||||
| Fagot | 16 | |||||
| Trompet | 8 |
Manuaalschuifkoppel
Koppel Hcofdwerk - Pedaal
Koppel Rugwerk - Pedaal
Tremulant Rugwerk
Tremulant gehele werk