Orgelkunst rond 1900 (I) Een recensie
De orgelkunst is springlevend. Leve de orgelkunst!Talrijk is het aantal
publicaties die met name
de organistengeneratie van na 1945 heeft bewerkstelligd. Nu geen opsomming van titels die
auteurs als Van Biezen,Gierveld, Kooiman,Koopman, Luth, Van Nieuwkoop, Oost en anderen hebben laten
verschijnen. We richtende schijnwerper op "Een bundel opstellen onder
redactie van Ton van Eck
en Herman de Kler", getiteld: "Orgelkunst rond 1900", recentelijk bij verschenen bij Canaletto in
Alphen a/d Rijn. Een boek dat we zozeer aanbevelen dat we er zelfs een lezersactie aan gekoppeld
hebben.
"Orgelkunst rond 1900", is dat niet "de vervalperiode"?
Zeker in speeltechnisch opzicht? Geen mechanische tractuur, dus geen direct
contact met de aan- en afspraak van de orgeltoon?
Deze onlangs verschenen bundel opstellen geeft een genuanceerd beeld dat nieuwe
gezichtspunten openbaart en zaken evalueert waar de orgelwereld in het verleden
minder lang bij stil placht te staan.
"MAG IK HET MOOI VINDEN?
Gert Oost, de enige van wie het geboortejaar niet in de acht "Personalia
van de auteurs’ wordt genoemd, opent met een vlot geschreven ‘ten geleide’, getiteld:
‘Mag ik het mooi vinden?’
Naast een uitstekend organist is Gert
Oost ook een goed stilist. Hij bewijst dit
ook nu weer met zijn originele inleiding,
waaruit enkele citaten: “En dan komt hij: de Negentiende Eeuwer. Hij heeft ‘nooit
geen orgelles
gehad’. [.....] Alle registers gaan open. De
schepbalg snakt naar adem, de schokbalgen staan te trillen, de toetsen krommen
zich onder de gespierde kolenschoppen. [....] Na afloop strompelt de bediener
der organen gebroken en voldaan van de
orgelbank. Het zit er weer op.”
In de negentiende eeuw was ‘barok’ een scheldwoord. In onze eeuw werd
afgerekendl met de negentiende eeuw, die als
onecht en oneerlijk werd ervaren: “Neo
is nep”, aldus Gert Oost. Een interessant
voorwoord dat de leeshonger opwekt.
‘ORGELKIJNST IN BEWEGING’
Ton van Eck geeft vervolgens een inleidend overzicht in "Orgelkunst in beweging
(1870-1920)". Wanneer men deze
titel even op zich laat inwerken, zal men
zich wellicht realiseren dat dit toch de
tijd van de beruchte ‘vervalperiode’ in de
orgelbouw is geweest. Of hebben we ons
vergist? Het handmatige en ambachtelijke werd verdrongen door het fabrieksmatige
en machinale.
Het predikaat 'fabriek' werd toen echter net trots gevoerd. Dit was immers een
blijk van van vooruitgang! Geen sprake van verval. Nieuwe vindingen werden
beproefd, patenten aangevraagd enz.
Van Eck geeft een overzicht van de technische aspecten zoals de pneumatische
hefboom, buizenpneumatiek, elektropneumatiek, speelhulpen, pijpfactuur en
-materiaal en de vervaardiging ervan. Ook gaat de auteur in op het gebruik van
zink.
Een interessant gegeven is, dat de Engelse orgelbouwer Hill al vanaf 1820
(!) zink gebruikte voor grote frontpijpen.
“Diens eerste oogmerk was mogelijk niet
een besparing op de materiaalkosten,
maar veeleer een grotere stevigheid tov.
tin. Dat het zink beduidend moeilijker te bewerken was nam hij op de koop toe,
arbeid was nog altijd voordeliger dan
materiaal” (blz. 21).
KUNDIG & GENUANCEERD
Het is frappant te lezen hoe genuanceerd
men in de periode 1870-1920 over orgelbouw dacht. Voor 1920 was er nog sprake van een wisselwerking tussen de
orgelbouw en de musiceerpraktijk. “Over
de logische klankopbouw is door veel
orgelmakers en orgeldeskundigen nagedacht en gediscussieerd in de vakliteratuur. Onverlet of de esthetiek van toen
ons thans nog aanspreekt kan men bij
veel orgels nog altijd beluisteren dat de
makers ervan ook aan de klank de uiterste zorg hebben besteed” (blz. 33).
Rond 1900, wanneer o.a. Jugendstil- en
Art Deco-invloeden zich ook bij ons in kerkinterieuren en orgelfronten beginnen
te manifesteren, is het creatief omgaan
met hout een ware kunst. In dat opzicht
zijn er staaltjes van groot vakmanschap te bewonderen, zoals verschillende orgelkassen uit die
tijd bewijzen (zie bijv. het orgel in de v.m. Nieuwe Waalse Kerk in Amsterdam, dat helaas
niet in dit boek werd afgebeeld)
Na 1920, zo is Van Eck’s conclusie, slaat het verval pas echt toe. “Een zo goedkoop mogelijk kant en klaar
product waarvan het toeleveringsbedrijf soms niet meer wist dan de uitwendige en
inwendige maten en de dispositie” (blz. 25). Maar dan zijn we inmiddels in de dertiger jaren van deze
eeuw aangeland, en daarmee in de beruchte crisistijd.
De organoloog J.W. Enschede, A. Brom jr. en P. Veerkamp namen, in de tijd dat de pneumatiek in ons land hoogtij vierde (rond 1925), al
krachtig stelling tegen de pneumatiek ten gunste van de mechanische tractuur. Zo
noemde P. Veerkamp in zijn artikel "De grootere voortreffelijkheid der mechanische krachtoverbrenging (met den inleiding door CF. Hendriks jr.) in
het Weekblad voor Muziek (1908) de aanslag van de rein pneumatische (en elektrische) orgels minder
sympathiek “wegens het gemis van een tastbare controle over het ogenblik van de krachtoverdraging en bij
gevolg van de aanspraak der door het klavier geregeerde pijpen" (blz. 27). Van Eck slaagt
er in veel voors en tegens af te wegen en komt uiteindelijk tot een genuanceerde
conclusie (blz. 33 ev.). Hij toont daarin aan dat de ontwikkelingen van het mechanisch naar
het elektrisch bedienbare orgel in ons land in een veel korter tijdsbestek plaatsvond dan in het buitenland,
waarmee de problematiek van de vervaltijd in feite ‘naar ons toe’ werd
geschoven. Hierdoor kan men eigenlijk nauwelijks spreken van een vervalperiode, want
tegelijkertijd was er bij andere bouwers al sprake van nieuwe ontwikkelingen.
De auteur onderbouwt zijn artikel en conclusie met 159 voetnoten, die op zich weer
een schat aan gegevens herbergen. Hij is erin geslaagd een goed doortimmerd betoog te houden voor het zorgzaam
beheren van laat-19de eeuwse orgels. Anderzijds is hij wel zo reëel te erkennen dat
niet alle eind- 19de-eeuwse orgels behouden kunnen blijven, met name vanwege de tractuur.
“Willen we bovendien muziek uit de stijlperiode en het cultuurgebied van deze orgels op authentieke
wijze uitvoeren, dan is behoud in technisch optimale toestand van enkele exemplarische (cursivering
W.v.T.) (elektro)pneumatische orgels uit deze tijd geboden” (blz. 20).
VAN TEMPEL TOT SYRINX
Op de vraag in hoeverre we (electro)pneumatische orgels moeten bewaren, restaureren en
koesteren, geeft Arjen Looyenga een antwoord van gelijke strekking in zijn opstel over
‘Architectuur en orgelfront in Nederland in de negentiende en vroege twintigste
eeuw’. Hierin laat hij een keur van orgelfronten de revue passeren. Heel boeiend, met
beknopte en heldere commentaren, en uitstekend met noten gedocumenteerd. Wanneer je de vele
afbeeldingen van orgelfronten ná 1900 ziet, realiseer je je dat ook deze stijluitingen absoluut
bestaansrecht hebben. Het zijn prachtige staaltjes van toen moderne kunstuitingen. (Alleen al hiervoor is het
boek de aanschaf waard.) In de orgelwereld dringt langzaam het besef door dat ook
orgelfronten uit die tijd een eenheid vormen met het kerkgebouw en dat de instrumenten erachter het in
bepaalde gevallen waard zijn geconserveerd en/of gereconstrueerd te worden. Het kan toch niet zo zijn dat enerzijds de woningblokken van architecten als
De Klerk (‘Amsterdamse School’) en Berlage uit de twintiger en dertiger jaren in Amsterdam liefdevol worden gerestaureerd,
terwijl vergelijkbaar cultuurgoed in de kerk wordt afgebroken?
Looyenga: “Misschien valt onder bepaalde omstandigheden te denken aan nieuwbouw in
dezelfde geest en vorm, indien nodig met betere materialen? Het komt ons in ieder geval
gewenst voor om ook een aantal instrumenten [...J uit deze periode, met diverse systemen, diverse typen
pneumatiek, electro-pneumatiek, rein electrische tractuur etc. als technisch monument te
beschermen.” Even eerder had de auteur reeds gesteld dat “de instrumenten die bij
deze fronten horen in vele gevallen niet meer bevredigen en vaak nauwelijks nog herstelbaar
zijn. Het zou echter een culturele misdaad zijn in dergelijke kerken een nieuw orgel met pseudobarok of
pseudo-negentiende eeuws front te plaatsen, zoals in de Haagse Julianakerk is
geschied.”
Het ‘misschien’ van de auteur geeft al aan dat de meningsvorming over dit onderwerp
nog volop in ontwikkeling is. Een klip en klare stelling durven de schrijvers van dit boek
klaarblijkelijk nog niet aan, hoewel het hen geenszins ontbreekt aan kennis en inzicht in de materie. Overigens is
het kostelijk om zich alleen al in Looyenga’s noten te verdiepen. Ze geven niet
alleen een indruk van de enorme belezenheid van de schrijver maar er worden soms ook harde noten gekraakt op een wijze die
wijlen Godfried Bomans niet zou hebben misstaan. Bijvoorbeeld noot 81 over de plaatsing in Ede van
het Van Dam-orgel uit de gesloopte Hervormde kerk van Nieuwe Niedorp: “dat bij die gelegenheid werd voorzien van
een niet zeer goed passende ‘Pelsjas’".
ANDERE AUTEURS
Na het hoofdstuk van Ton van Eck volgt een artikel van Henk Rosenberg over
‘Kerkelijke bouwkunst in Den Haag van 1800 tot omstreeks 1930’ en de eerste bijdrage van
Arjen Looyenga over ‘De plaats van het orgel in de kerkgebouwen. Een welkom stuk
architectuurgeschiedenis voor orgelliefhebbers.
(Wordt vervolgd)