De improvisatiekunst van Klaas Bolt

Van veel woorden of onduidelijk, verhullend taalgebruik hield Klaas Bolt niet. Zoals hij sprak en handelde, zo improviseerde Bolt ook. Gebrei, hol pathos of het louter willen imponeren via orgelspel was hem vreemd. Het orgel op het mooist laten klinken in allerlei klankkleuren en daarbij aansluitende speelmanieren, daar speelde Klaas Bolt zich letterlijk en figuurlijk warm voor. Men vindt dit streven in zijn improvisaties steeds terug.
Zichzelf verkopen of gewichtig doen, daar was Klaas Bolt niet van gecharmeerd.
Moeilijk om over zijn improvisatiekunst meer te zeggen dan alleen het in overweging geven om zijn vastgelegde improvisaties vaak te beluisteren en te analyseren. Zo kan men er achter komen welke technieken Bolt hanteerde, zoals:
- in welke ligging wordt de koraalmelodie (= Cantus firmus) gespeeld (bas, tenor, alt of sopraan)
- welk tempo en beweging wordt genomen
- welke klankkleur (registratie) gekozen?
- welk idioom (= gehanteerde muziekstijl, zoals Barok, Romantiek e.d.) gehanteerd, enz.


In deze beschouwing over Klaas Bolts improvisatiekunst zullen niet meer dan een aantal facetten uit diens improvisaties aan bod komen. Soms zal op een bepaalde variatie afzonderlijk worden ingegaan.
De lezer begrijpt dat indien op elke variatietechniek van Bolt gedetailleerd zou worden ingegaan, dit een leerzame handleiding voor improvisatie zou kunnen opleveren. Volledigheid kan en wordt evenwel niet nagestreefd.
Een aantal elementen uit Bolts improvisaties zullen de revue passeren:
1) Eenvoud in harmonie en vorm
2) Beknopt, bondig en functioneel
3) Sterke relatie tussen instrument, registratie en keuze van de vorm
4) Aanknopen bij improvisatie- en variatietechnieken uit vroeger tijd
5) Meerdere stijlen


Eenvoud in harmonie en vorm
Klaas Bolt is er altijd van overtuigd geweest dat alleen een harmonisatie de basis vormt voor koraalvariatie. Er dient een afgebakend raamwerk te zijn dat weer afhankelijk is van onder meer de ligging van de koraalmelodie in de harmonisatie.
Vanuit een drie- of vierstemmige harmonisatie gaat men afhankelijk van de beweging (tempo) noten toevoegen. De harmonisatie wordt via doorgangs- en wisselnoten op allerlei manieren omspeeld.
Bolt kiest in eerste aanzet voor louter drieklanken in grondligging, op min of meer dezelfde manier zoals Claude Goudimel dit deed in zijn harmonisaties van de psalmen, die Goudimel 1665 publiceerde. Om aan de lezer meer duidelijk te maken zou het gebruik van notenvoorbeelden wenselijk kunnen zijn. Op dit punt van detaillering is echter de grens van de opzet van dit artikel bereikt. Doel is juist bij het schrijven van dit artikel .geweest om een algemeen beeld van Bolts improvisatiekunst te geven. Daarom is het gebruik van notenvoorbeelden vermeden.

Vorm
De keuze van de vorm bepaalde Bolt door de registratie, die weer afhankelijk was van de mogelijkheden van het te bespelen orgel, met name dan de dispositie (heeft het instrument een of meer klavieren en dergelijke).
Ook de akoestiek van de ruimte speelt een rol.Zo liet bijvoorbeeld een ‘droge’ ruimte Bolt niet veel ‘ruimte’ voor variaties met gebroken drieklanken.
Bolt liet zich door deze omstandigheden als het ware de vorm aanreiken Heel fascinerend.
Een voorbeeld: Wanneer Bolt een van zijn circa 250(!) onder zijn adviseurschap gerestaureerde orgels inspeelde kon hij intens geboeid raken door één bijzonder goed getroffen register. Was dit bijvoorbeeld de Trompet 8’ in het pedaal, dan improviseerde hij een twee-stemmige variatie voor pedaalsolo.
Was de Cornet zeer bijzonder, dan kwamen de voor dit register geëigende variaties uit zijn vingers. Hetzelfde voor een mooi Fluitregister, enz. Uiteindelijk lagen de keuzes als het ware steeds voor Bolts hand. We komen nu bij het volgende aspect.

Bondig, naturel en functioneel
Een van de meest in het ‘oor’ springende kwaliteit van Klaas Bolt was diens vermogen om zijn muzikale invallen bondig en beknopt, en daardoor zeer geconcentreerd en boeiend, gestalte te geven. Zijn stijl was niet gezocht, maar altijd zeer naturel.
Het meesterschap van Bolt herkent men (als zo vaak) in diens beperking. Een eenmaal gekozen variatie kon Bolt tot en met de laatste toon geconcentreerd en spannend van inhoud volhouden, en tevens nog uiterst verfijnd uitvoeren. Opvallend was ook steeds zijn tempo keuze. Nooit haastig. Hij beheerste de materie. Alles klonk uitgewogen en goed geproportioneerd.
De intensiteit en de beweging bleef altijd dermate goed van kwaliteit dat vele van Bolts improvisaties, ook wanneer ze aan het papier zijn (worden) toevertrouwd, nog kunnen boeien. Die kwaliteitsnorm is overigens een van Bolts motieven geweest zich te blijven ontwikkelen. Ook hem kwam het niet aanwaaien. Vaak luisterde hij naar cantates van J.S. Bach, waardoor hij zich liet inspireren.
Om de kwaliteit en intensiteit zo groot mogelijk te doen zijn schuwde Bolt het niet zijn improvisaties voor te bereiden en soms aanzetten van variaties schriftelijk vast te leggen.

Sterke relatie tussen instrument, registratie en keuze van de vorm
Wanneer een register of registercombinatie Klaas aansprak dan improviseerde hij op deze klank; we constateerden dit al eerder. Veel variaties dragen dan ook de titel van het bespeelde register, zoals de variaties die Bolt speelde over psalm 130 op het orgel in de Bonifatiuskerk te Medemblik, gebouwd door Pieter Backer in 1671 en in 1785 uitgebreid met een Rugwerk van Bätz. Iedere liefhebber zal deze belangrijke opname wel kennen. Met deze LP onder streepte Klaas Bolt de band tussen register en vormkeuze. Zoals gezegd de stijl van het instrument bepaalde ook de stijl van zijn improvisatie.
Zo improviseert Bolt in Krewerd in 16e eeuwse stijl (à la Van Noordt en Speuy) terwijl hij op het Knipscheer-orgel te Zandvoort een vroeg-romantisch klankidioom kiest voor zijn variaties over: Lied 462: Ontwaakt, gij die slaapt 
Klaas Bolt registreerde niet alleen hel orgel, maar hij regisseerde het ook! En wel zodanig dat steeds de allermooiste klankkleuren gecombineerd werden met de daarvoor meest geëigende muzikale invallen.
De recent verschenen CD met improvisaties van Bolt op het Lindenberg-label illustreren dit.
Wanneer Klaas zo bezig was dan kreeg zijn spannend musiceren steeds meer dimensies, getuige deze opnamen.

Aanknopen bij improvisatie- en variatietechnieken uit vroeger tijd
Zijn historisch besef deed Klaas Bolt nooit in banaliteiten vervallen, hoewel zijn humor dikwijls een rol speelde, waardoor hij verrassende 'gekke' wendingen niet uit de weg ging.
Hij schroomde evenmin om typisch naturalistische galante effecten zoals klokgelui (psalm 108, Bätz-orgel, Harderwijk) trommels, vogelgezang (psalm 132, Oude Kerk Amsterdam NCRV-opname) en dergelijke in zijn improvisaties een rol te laten spelen. Klaas Bolt kon, gedegen en stijlzuiver in de praktijk brengen hetgeen Joachim Hess in zijn "Luister van het orgel", Gouda 1772 aankaart.
Als orgeladviseur kon hij het zich aantrekken wanneer een fraai gerestaureerd orgel slecht bespeeld werd.
Klaas wilde zijn geïmproviseerde muziek niet noteren, hoewel hij wel degelijk aantekeningen maakte. Soms schreef hij zelfs delen geheel uit zoals de knappe expositie van de fuga over Ontwaakt, gil die slaapt.(...) die hij speelde te Zandvoort; of de fuga over psalm 143 die op een CD staat met werken uitgevoerd op het Müller-orgel te Haarlem.
In het publiceren van zijn notaties zag hij geen heil: ‘Er blijft van mijn variaties weinig over als het gespeeld wordt op een matig of slecht orgel in een matig- of slecht klinkende ruimte, gespeeld door een organist die er weinig of geen tijd aan heeft besteed’.
Ook in 1772 kunnen we dergelijke verzuchtingen al lezen, zoals bij Hess in het zojuist genoemde boek: Luister van bet Orgel, waar we op bladzijde 33 lezen: Ondertusschen kan ik niet nalaaten om in ‘t voorbygaan myn ongenoegen te toonen over de schandelyke vadzigheid der geener, welken zig zelden of nooit toeleggen, op een eenigerhande afwisseling van fraaje geluiden, maar altoos met den ouden deun voor den dag komen. Wat baat het toch, ofschoon men ‘t fraaiste Orgel bespeeld, en men ontluistert hetzelve door zulk een yverloosheid?
Zal dan een Orgel van zynen eigenaartigen luister niet beroofd worden, zo heeft men ‘t voor geen gering gedeelte van de Orgel-speelkonst te agten, niet alleen kundig maar teffens ook yverig te zyn in het voortbrengen van allerlei fraaje geluiden.


Meerdere stijlen
Bolt improviseerde tijdens de zondagse diensten in de St. Bavokerk doorgaans in meerdere stijlen.
Met name het virtuoos orgelspel (toccatavorm) na de dienst onderscheidde zich van hetgeen we van hem kennen via LP, CD of (radio-) opname.
Overigens liet Bolt allerlei vormen horen, maar toccata en fuga-vormen waren dan toch favoriet.
Laten we een poging ondernemen zo’n toccata-vorm, gespeeld na een dienst, te beschrijven.
Het uitleidend orgelspel met een plenumklank in een toccata-vorm begon vaak eenstemmig.
De cantus-firmus (koraalmelodie) klonk vervolgens in het pedaal of in tenor. De rechterhand bleef de snelle beweging volhouden (die hetzij in triolen, hetzij in zestiende noten verliep).
Er worden canonische mogelijkheden tussen allerlei stemmen benut, vaak tussen sopraan en pedaal, waarbij dan de linkerhand de snelle passages volhield in de vorm van akkoordbrekingen, ostinatofiguren en/of een mengeling van toonladderpassages en akkoordbrekingen met wissel- en doorgangstonen.
Tussen de melodieregels kwamen meer of minder uitgebreide tussenspelen voor. Soms word er motivisch vooruit gedacht, geanticipeerd op de volgonde Cf-inzet.
Het loopwerk word ook wel plotseling stilgezet, waarna er een totaal andere sfeer kwam; of er word met een bepaald motief door gepreludeerd.
Echo’s en dialogen en dergelijke konden dan voorkomen. Wordt een barok/klassieke klanktaal (idioom) gebezigd dan ontstond tijdens het slot, of in de loop van het gebeuren, een veel meer gekruide harmonie, waarbij klankgrapjes niet werden geschuwd.
In het geval er gekozen was voor een modern idioom kon dezelfde vorm als zojuist beschreven zich afspelen, zij het dat dan veelvuldiger werd gemoduleerd, naar verder afgelegen toonsoorten.
Koraalregels of motieven daaruit werden vaker ‘toevallig’ herhaald.
Het idioom was gematigd modern, met kwart-akkoorden, sext-soptiom- en noneakkoorden, en het gebruik van hele toontoonladders.

Verrassen
Uiteraard is het doel van deze beschrijving slechts een schetsen van een grove indruk. Bolt was uitstekend in staat telkens zodanige veranderingen in zijn vormkeus en klanktaal aan te brengen dat hij bleef verrassen.
Het enige dat eigenlijk vaststond was dat het majestueuze Bavo-orgel in alle klankfacetten kon klinken, dus ook de meest krachtige registers (Bazuin 32’). Want volgens Klaas moest ook de toevallig aanwezige toerist bij deze diensten alle klankpracht van het orgel kunnen beleven. De harmonisaties en voorspelen konden tijdens een dienst ook sterk van stijl verschillen.
Bij harmonisatie was een veelvuldig toegepast stijlmiddel de volgende:
De bas verliep chromatisch, waardoor als het ware ‘vanzelf’ meer toevallige, gekruide, dissonerende harmonieën konden ontstaan, zonder dat de structuur ontbrak. Meestal daalde de bas.
Toen Klaas op een keer vond dat hij de bas, althans in mijn aanwezigheid, vaak genoeg had laten dalen, deed hij de bas bij het volgende couplet stijgen.
Wanneer je dan na de dienst (soms) naar boven ging zat hij te spelen met pretogen die begonnen te twinkelen wanneer je zei dat je de bas de ‘verkeerde’ kant op had horen gaan. Er werd dan grinnikend verder gespeeld, met het vertrouwde grote gemak.
Dat was Klaas Bolt: Communiceren: en zoveel mogelijk mensen bereiken en bekoren met moedgevend orgelspel.

 



Organistenportret door Jan van ‘t Hul Klaas Bolt, een Groninger zonder humbug

In tegenstelling tot zijn voorgangster, die slechts vervangende diensten verrichtte, bekleedde Bolt in de Bavo de zelfstandige functie van (tweede) stadsorganist. Hij werd daarbij speciaal belast met de verzorging van diensten van de Hervormde gemeente te Haarlem. Daarin nam hij in 1983 het initiatief tot de muzikale avonddiensten ‘Zondagavond in de Bavo’.
Klaas Bolt was een hartstochtelijk liefhebber van een volle kerk die uit volle borst zong. ‘Echt Hollands’, noemde hij dat. ‘Schreeuwen is een zeer natuurlijke zaak. Denk maar aan kinderen in de wieg. Vocaliteit is altijd luid geweest. In de middeleeuwen werd zeer luid gezongen. De orgels klonken ook luid, zeer vocaal. Ze waren een verlengstuk van de zang’.
Als Klaas Bolt buitenlandse gasten had, bezochten ze zondags diensten in de Bovenkerk te Kampen of in de Hervormde Stephanuskerk te Hasselt waar nog niet ritmisch word gezongen. ‘Dat is historie! de Geneefse Psalmen en het Gregoriaans zet ik op één lijn van belangrijkheid in de kerkmuziek’. Ook ging Bolt op zondag wel eens luisteren in de Grote Kerk te Maassluis: ‘Als Asma gemeentezang begeleidde, dat was wat! Hij stimuleerde gemeentezang heel goed’.
In 1979 belegde de Rotterdamse boek- en muziekhandelaar Piet Lindenberg tor gelegenheid van het 30-jarig bestaan van zijn zaak een gemeentezangavond in de Oude Kerk te Rotterdam/Delfshaven met Klaas Bolt aan het orgel. de avond werd gepresenteerd als ‘oud Hollands zingen’ en er was zelfs een voorzanger. Vijf jaar later kreeg dit initiatief een vervolg in de Oude Kerk van Rotterdam/Charlois. De psalmen klonken er stoer en gloedvol op, rustig in tempo, ondersteund door een stevig orgelfundament. In volle harmonie zongen ze bijna het dak van de kerk. Bolt gaf daar de gemeente voluit de kans om te zingen en begeleidde inspirerend met bovenstemmen, gehaald uit een van de middenstemmen van de harmonisatie. In zijn speeltrant, in zijn registratie-opvattingen en muzikale uitdrukkingsmiddelen toonde Bolt zich een ouderwetse en voorname stadsorganist uit de 18de eeuw.
In een tijdperk waarin het modieus stond om gemeentezang op te jagen en psalmen met steeds grotere voortvarendheid te zingen, bepleitte hij met heftige hardnekkigheid een gedragen zangwijze. Op jaarvergaderingen van organisten, voor de radio, aan iedereen die het maar horen wilde, verkondigde Bolt dat het zo met onze gemeentezang niet goed ging. Ook het Liedboek voor de Kerken spaarde hij niet. Op een aantal fundamentele punten zou de liedbundel de gemeentezang eerder dooddrukken dan verbeteren.
Net toen het erop leek dat protestants Nederland ‘musicologisch zou gaan zingen’ wierp Klaas Bolt de knuppel in het hoenderhok met zijn artikel in ‘het Orgel’ (mei 1979): ‘de gemeentezang is ten offer gevallen aan de huidige drang tot nivellering en modernisering!’
Weg waren tientallen jaren noeste musicologenarbeid. Als de grote boosdoeners werden aangewezen de negentiende eeuw, de orgelbouw in de jaren vijftig en zestig toen er instrumenten werden gebouwd die wel gericht waren op een concertmatig gebruik, maar niet op de begeleiding van gemeentezang. En als laatste boosdoener priemde Bolts vinger in de richting van Jan van Biezen en consorten die verantwoordelijk waren voor de tempoverdubbelingen en de muzieknotatie in het Liedboek.
Dit was volgens Bolt zeker: de gemeente zingt te clean, te licht en te vlot, met een hele regel en soms zelfs wel twee op één adem. Met instemming haalde Bolt het verzet aan van Jan Zwart sr. Deze schreef hierover dat gemeentezang in de zestiende eeuw uitgekreten zou zijn als ‘commediantendans’ en ‘geistlos schnattarattat’.

Boosdoener Van Biezen verweerde zich een half jaar later, maar de verwarring bleef. Op het 90-jarig bestaan van de Nederlandse Organisten Vereniging worden de perikelen op een congres aan de orde gesteld. Op een samenzangavond in de Domkerk word er gezongen volgens de principes van Van Biezen en volgens de principes van Bolt. Het tempo van Van Biezen (60 of 72 lange noten per minuut) vonden velen veel te hoog. Het tempo van Bolt (35 lange noten per minuut) vonden velen veel te laag. Het juiste tempo zat ergens tussenin liggen. En de kippen uit het hoenderhok kakelden lustig voort.

Slotconclusies uit dit verhaal zijn moeilijk te trekken. Maar zeker is wel dat Bolts zangwijze her en der met grote gretigheid is overgenomen, vooral in kringen waarin men traditiegetrouw graag langzaam zong. Op 7 juli 1989 verklaarde de Bavo-organist nog steeds (Reformatorisch Dagblad): ‘Gemeentezang is een gebeuren van het yolk, van de gemeente. Maar voor dat aspect is in musicologischo kringen steeds minder oog. Musicologen menen dat je gemeentezang naar cantorijvoorbeeld moet scholen en verbeteren. Heel gecultiveerd. Ik vind het prima dat men zoekt naar nieuwe vormen, naar nieuwe mogelijkheden. Maar je mag daarmee niet de gemeentezang weggooion. Men hoort ook niet meer hoe grandioos gemeentezang klinkt. Organisten en cantores jagen de gemeente op, het zal en moet een soort imitatie-koorzang worden. Maar zodra men gemeentezang gaat dirigeren, worden het marsliederen’.

Klaas Bolt wees nog meer boosdoeners aan die de gemeentezang vernielden: ds H.Hasper die de psalmen ‘heel vlug en lichtvoetig wilde zingen’. En de Singbewegung uit Duitsland en de liturgische beweging in eigen land. ‘Deze liturgische beweging, begonnen door professor Van der Leeuw, heeft een soortgelijke ravage aangericht in de kerk. Heel gèkke dingen. Er kwam een liturgisch centrum, de preekstoel werd verplaatst of afgedankt, ook in het kleinste kerkje krijgt de dominee een microfoon om zijn nek, wordt als het ware steminvalide, op de liturgische tafel staat de elektronica centraal, er komt vloerbedekking in de kerk, de akoestiek wordt vernield, de gemeentezang gaat eraan’.
Het had eigenlijk allemaal een vervolg moeten krijgen. Bijvoorbeeld op de door Bolt bepleitte jaarlijkse Kerklieddag in de Bavo. Bolt zag zoiets niet als concurrent van de Liedboekdag, hoewel de invulling van deze dagen zich voor hem wel in een uiterste bevond. (‘De Liedboekdagen gaan te veel voorbij aan de pure gemeentezang’). Bolt wilde in de Bavokerk alle gezindten bij elkaar brengen. ‘s Morgens zou het accent moeten liggen op de psalmen, die ritmisch en iso-ritmisch gezongen konden worden. ‘s Middags zou het dan gaan om het Liedboek en om de bundel 1938. Maar het mocht er niet meer van komen.
Klaas Bolt kon in al zijn patriarchale bedaardheid geweldig opstuiven als het ging om een gebrek aan kwaliteit op de orgelbank. In 1986 schreef hij in het dagblad Trouw: ‘ledere zondag veroorzaken organisten, voornamelijk amateurs, een dikke walm van muzikale wansmaak en onkunde die uit tal van Nederlandse kerken ten hemel stijgt’. Bolt vroeg van organisten, beroeps en amateurs, vakkennis, deftigheid en betrokkenheid. ‘Kennen met je hoofd en kunnen met je vingers en voeten horen als een Siamese tweeling bij elkaar’.
De Haarlemse organist was een begaafd concertgever die een breed overzicht had op de orgelliteratuur van de afgelopen eeuwen. Hij was kritisch als het ging om de kwaliteit van het concertinstrument.

Niet op alle orgels speelde hij en hij was zeer kritisch op het verschil tussen nieuwe en historische orgels.
De laatste tien jaar van zijn leven bouwde hij zijn concertpraktijk welbewust af. Hij legde zich meer en meer toe op koraalimprovisatie en gemeentezang (begeleiding). Enkele van zijn koraalimprovisaties zijn vastgelegd op grammofoonplaten van historische orgels to Medemblik, Harderwijk, Oude Kerk te Amsterdam, Zandvoort, Oosthuizen, Delfshaven, Kampen, Krewerd, de St.Bavo in Haarlem, Rotterdam-Charlois en Zaltbommel. Vorig jaar gaf Lindenberg, Boeken & Muziek, de cd uit ‘Klaas Bolt improviseert op vijf historische orgels’, bevattende opnames uit 1982 en 1989.
Wie deze opnames wat kan volgen ontdekt een verschuiving van een eigentijdse muzikale taal naar een meer herkenbare improvisatiestijl die beter aansloot bij zijn eigen persoonlijkheid en zijn eigen ideeënwereld en meer vervlochten was met de aard van het historische orgel. Eigentijdse improvisaties liet hij aan anderen over, maar voor de moderne improvisatiekunst van sommige collega's had hij groot respect. Bolt bleef echtor wel van effecten houden, ‘want improviseren is ook een beetje theater spelen’, zei hij in een interview met de Orgelvriend (februari 1986). Humor ontbrak bij Bolt maar zelden. Zo improviseerde hij eens een concert in de stijl van Johann Gottfried Walther onder de titel ‘Concerto del Signor Boltini’.
In voorbereiding zijn nog cd’s met gemeentezang en improvisaties uit Haarlem, Utrecht en Krewerd,en historische opnames uit de jaren zeventig in het Groningerland en gemeentezang en improvisatie in Lunteren en Hendrik Ido Ambacht.
Bolt was adviseur bij de restauratie en nieuwbouw van talloze orgels, dit in samenwerking met de Orgelcommissie der Ned. Hervormde Kerken de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Hij was adviseur van de Stichting Oude Groninger Kerken, lid van de Orgelraad van de Oud-Katholieke Kerk in Nederland en adviseur van de gemeente Haarlem inzake onderhoud en restauratie van het Müller-orgel. Door toedoen van Bolt werden verschillende kerken in de regio Haarlem van historische orgels voorzien (de dorpskerken van Bennebroek, Heemstede en Bloemendaal).
Grote adviesprojecten die Bolt onder handen heeft gehad waren die van Winterswijk (1972), Julianakerk Scheveningen (1973), Harderwijk (1981), Zaltbommel (1986), Alkmaar (1987), de Schnitger-orgels van Uithuizen, Godlinze en Eenum (1987), de Der Aa-kerk Groningen en de nog steeds niet beëindigde restauratie van het orgel in de Oude Kerk te Amsterdam. In deze hoedanigheid heeft Klaas Bolt mede het gezicht bepaald van de Nederlandse orgelbouw in de jaren zeventig en tachtig. Na afloop van een restauratie kon hij kostelijk vertellen over wat er allemaal met het orgel was gebeurd.

Ook deed Klaas Bolt enige publicaties het licht zien. Naast het reeds genoemde geruchtmakende artikel in het Orgel, zijn dat ‘de orgelmaker Christian Müller (1690-1763)en zijn werk’ (1970), ‘de historie en samenstelling van het Haarlemse Müllerorgol’ (1979)en ‘The character and function of the Dutch organ in the seventeenth and eighteenth century’ (1987).
In 1989 onderging Klaas Bolt voor de derde maai een zware operatie. Even bloeide hij op. Nog geen jaar later trouwde hij met Margarethe Bartels uit het Duitse Leer, de vroegere echtgenote van orgelmaker Jürgen Ahrend. Zij had hem in het Borromeushospital te Leer verpleegd. De huwelijksdienst vond op 2 januari 1990 plaats in de Nieuwe Kerk te Haarlem; voorganger was ds C.Bijl, organist was Bolts vriend Willem Wijting, organist van de Nieuwe Kerk in Beverwijk.
In diezelfde week bespeelde Klaas Bolt voor het laatst zijn Bavo-orgel. De operatie van 1989 had zijn ziekte niet kunnen keren. Vanaf zijn ziekbed bleef hij zich tot het laatst toe bezighouden met orgelzaken, analyserend en dirigerend. De laatste klankimpressies van het vrijwel gerestaureerde orgel in de Der Aa-kerk te Groningen werden hem op een bandje gebracht. De Nederlandse Organisten Vereniging onderscheidde hem op zijn ziekbed nog met het erelidmaatschap van de NOV.
Klaas Bolt, Ridder in de orde van Oranje-Nassau, overleed op 11 april 1990 in zijn woning te Haarlem/Overeem. Hij bereikte de leeftijd van 63 jaar, 38 jaar was hij een van de vaste bespelers geweest van het orgel in de Bavo te Haarlem. Eigenlijk was hij nog in de kracht van zijn leven. Hij zat nog vol met plannen en nieuwe ideeën. Zo moesten onverwezenlijkt blijven. Zijn huwelijk met Margarethe Bartels had precies honderd dagen geduurd.
De door Bolt zelf voorbereide begrafenisdienst vond plaats op Stille Zaterdag 14 april in de Grote of St. Bavokerk te Haarlem. Zijn vrienden Hans van Nieuwkoop, Stef Tuinstra en Willem Wijting bespeelden het orgel. Klaas Roelof Bolt werd begraven op de begraafplaats ‘Westerveld’ te Driehuis-Velsen. Zijn graf werd gedolven op slechts enkele meters van het graf van Piet van Egmond.
Het complete orgelarchief van Klaas Bolt kwam, met financiële medewerking van het Prins Bernhard Fonds, in het bezit van de Eduard Reeser Stichting. Deze stichting opgericht in 1987, heeft als doel een bijdrage te leveren aan de muziekwetenschappelijke collecties van de Rijksuniversiteit Utrecht en in het bijzonder van de bibliotheek van de faculteit Muziekwetenschap. De aantekeningen die Bolt maakte van zijn improvisaties liggen nu bij Harald Vogel.