COLUMNS
| 23 juni 2008 | Over de Afscheidsdienst van Ds. Bas Plaisier; het Bätz-orgel (1831); Jan Jansen en hoe mooi het werd en hoe collegiaal |
| 3 december 2007 | Nieuwe muziek gepubliceerd in het kwartaaltijdschrift Kunst en Wetenschap (September 07) |
| 22 augustus 2007 | Op naar een nieuw Liedboek |
| 22 augustus 2007 | Top Twaalf Liederen |
| 1 juni 2007 | Het raadselachtige van componeren |
| 30 mei 2007 | ‘,…maar tot een eenmaal afgesloten compositie keer ik nooit terug.’ Sjostakovitsj in 1954 |
| 30 april 2007 | Het goede gevoel. Willem Brons en Piet Kee , twee fenomenale leraren |
| 14 april 2007 | Zou Mozart…? Over het Mozartjaar 2006 |
| 18 augustus 2006 | Column Orgelfestival Limburg |
| september 2006 | Een column (Tekst bijgewerkt tot 06-01-2011) , ‘Het imago van de
organist’ door Willem van Twillert is gepubliceerd in het
kwartaalblad: KUNST EN WETENSCHAP, september 2006, pagina37. [ISSN:
0927-3506] Besteladres:Smidstraat 12 8746 NG Schraard Tel 0517 532042 Mail: kunstenwetenschap@planet.nl Een jaarabonnement kost Euro 12,= Het artikel is nu ook opgenomen op deze pagina |
| 10 juni 2006 | Joost Langeveld met HUMAN BITS tijdens museumnacht, Utrecht 5 november 2005 |
| 10 mei 2006 | Nederlandse muziek al eeuwen lang ondergewaardeerd. |
| 1 mei 2006 | Wat doe je nou zo op een dag. |
| 30-3-2006 | Mentaliteit door twee tips |
| 26-3-2006 | Wat is er mis met orgelwerken voor
electro-pneumatische orgels Edwin Lemare (1865-1934) bewijst het: Helemaal niets! |
| 20-3-2006 | Flarden - Gedachten na de DVD opname te Aarle-Rixtel |
| 8-3-2006 | Een goede techniek, hoe ontwikkel je die? |
|
5-3-2006 |
Hoe komt een programma voor DVD tot stand? |
|
25-02-2006 |
Nieuwsgierigheid is dè emotie bij nieuwe muziek |
|
15-02-2006 |
Orgelconcerten die je bij blijven. (12 februari, Catharinakerk, Doetinchem) |
|
16-11-2005 |
Geïmproviseerde orgelmuziek bij zwijgende film |
|
8-11-2005 |
Over live musiceren en meer |
|
22-08-2005 |
Hoe noteer ik mijn muziek? |
|
01-03-2005 |
Zelfbewustheid en zelfvertrouwen bij orgelspel |
|
19-01-2005 |
Diversiteit in stijl nootzaak |
|
15-01-2005 |
Omgaan met gedrukte muziek |
|
november 2004 |
Het Haarlemgevoel |
|
november 2003 |
Opnamen in Noordwijk aan Zee |
|
juli 2003 |
Orgel spelen om fit te blijven |
|
maart 2003 |
Je hobby je werk |
23-6-2008
Over de Afscheidsdienst
van Ds. Bas Plaisier; het Bätz-orgel (1831); Jan Jansen en
hoe mooi het werd en hoe
collegiaal
Het zal een half jaar geleden zijn geweest dat ik door Ds. Harm Dane
gevraagd werd of ik op 6 juni 2008 vrij was. Vrij was ik, hoezo? . Nou,….
of ik tijdens de afscheidsdienst van de scriba van de PKN het orgel dan wilde bespelen.
Ik voelde me vereerd, maar eh,… daar zit daar een goeie organist
hoor…
Column 3-12-2007
Nieuwe muziek gepubliceerd in het kwartaaltijdschrift Kunst en
Wetenschap (September 07)
Twee generaties na‑oorlogse componisten hebben zich wetten laten voorschrijven door de geniale nestor van de twaalftoonsmuziek Arnold Schönberg. Gevolg? Een groot deel van hun werk kan als verloren worden beschouwd. Neem een vooraanstaand componist als Jan van Vlijmen (1935–2004), wiens denken model kan staan voor de tijdgeest van de muziekwereld in de tweede helft van de twintigste eeuw. Het Osiris Trio verzorgde op 28 april 2007 de première van Van Vlijmens zwanenzang Trio Estatico. De pianist van dit trio Ellen Corver maakt in een interview met Marianne Broeder in de VPRO‑gids van 28 april 2007 enkele opmerkingen, waaruit blijkt hoezeer dogma’s, formalisme en strengheid het naoorlogse Nederlandse componeren in zijn greep hadden. ‘Ik leerde hem kennen op mijn dertiende toen ik bij de Jong Talent‑afdeling van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag ging studeren, waar Jan van Vlijmen directeur was. Jan vond het interessant dat wij zijn werk speelden en wilde komen luisteren naar de lessen. “Jasses, je speelt een octaaf.” Ik begreep er niets van. Wat wist ik op die leeftijd van moderne compositietechnieken. Ik dacht, wat is er nou mis met een octaaf? Maar ik had het inderdaad misgelezen. Een harmonisch zuiver interval als een octaaf was in die tijd volstrekt uit den boze.’
Een kenmerk van seriële muziek is dat zij in beginsel eenvoudig in een schema is samen te vatten. Je zorgt er bij deze strenge compositietechniek in de simpelste vorm voor dat de twaalf tonen van het octaaf allemaal gebruikt zijn voordat je weer opnieuw één van de twaalf tonen gebruikt. Het creatieve dat na het samenstellen van de toonreeksen voor de componist overblijft is kleuring en ritme, want melodie, harmonie, en later zelfs ook het ritme, zijn óf overboord gegooid óf worden in grote mate aan het toeval overgelaten of ook in een reeks ondergebracht. Ellen Corver in hetzelfde interview: ‘Jan was een echte Stockhausenfanaat.’ Twee Zaanse harpistes, Marianne Smit en Esther Kooi, verzorgden in 2006 in de Dom van Milaan de première van Freude van Karl Heinz Stockhausen. In dit werk gooit Stockhausen de dogma’s van het moderne componeren uit de tweede helft van de twintigste eeuw in de prullenbak. Want wat horen we? Melodie, harmonie, ritme Stockhausen componeert anno 2006 hier gewoon volgens regels van de aloude componeerkunst.
Omdat het Stockhausen gegund is langer te leven dan Van Vlijmen kon hij alsnog een stijlbreuk in zijn werk aanbrengen teneinde aan te sluiten aan de heersende smaak, samengevat onder de noemer: ‘Muziek mag weer mooi zijn.’ (Eric Vloeimans in de VPRO‑gids van 14 april 2007) ‘Stockhausen ontpopt zich uiteindelijk dan toch als een andere componist dan de avant‑garde componist te Donaueschingen een halve eeuw eerder. Samen met Pierre Boulez en Luigi Nono verliet hij daar op 20 oktober 1957 theatraal de zaal uit protest tegen de in première gaande Nachtstücke und Arien van Hans Werner Henze. Naar hun dogmatische opvatting was dit werk van Henze niet modern genoeg. Het werd één van de meest gespeelde composities van Hans Werner Henze.’ (Deze en andere legendarische premières heeft Piet De Loof gepubliceerd in zijn boek De dirigent is gevlucht, dat momenteel te koop is bij De Slegte.)
Dat aansluiten bij de huidige tijdgeest leverde Stockhausen op de valreep een, naar mijn smaak, prachtige moderne compositie op die toegankelijk is en waarbij je als luisteraar, net als bij een goed boek, nieuwsgierig wordt naar hoe het werk afloopt. Guido van Oorschot schrijft er in de Volkskrant van 23 april 2007 overigens anders over: ‘Het moet gezegd: de als priesteressen in het wit gehulde Smit en Kooi tokkelen en zingen begenadigd. Aan hen ligt het niet dat veertig minuten Freude er ongeveer dertig teveel zijn. Alle spirituele dynamiek ten spijt blijven de noten hangen in statische aanbidding. De zang, meisjesachtig blanco, neigt naar quasimiddeleeuwse mystiek. Arpeggiowolken halen fladderende sprookjesfeeën voor de geest, die worden belaagd door vaak lang nasissende s‑en uit de hymnetekst.’
Hoe de tijd zal oordelen over het oeuvre van Van Vlijmen om me tot deze componist te beperken? Afgaande op de recensie (de Volkskrant van 30 april 2007) van Frits van der Waa, die toch niet vies is van serieel werk, zal dat niet meevallen: ‘Het spaarlampencomponeren van Van Vlijmen moest concurreren met de hartverwarmende voltages van de beide klassieke meesters [vioolconcert van Mozart en zesde symfonie van Schubert]. [...] De uitvoering werd dan ook eerder gedragen door de grote kwaliteiten van het Osiris Trio dan door de even ascetische als langdradige notensubstantie. Het Trio estatico doet zich tussen een goede kop en een mooie staart voor als een lange keten van organisch verbonden, maar verder tamelijk oeverloze gebeurtenissen, waarin erg weinig extase te bespeuren is.’ Om deze woorden te verwerken is het goed Kees Fens te lezen (column Vergrijsde figuur in korte broek in De Volkskrant van 19 april 2007): ‘Lof is moeilijk of niet in te halen, de tijdens het leven onthouden eer is na de dood vaak niet meer dan het schepje zand van het afscheid. Zelfs bij de postume prijzers van de beste wil is er onvermijdelijk voorbehoud: de ware gedaante van de dode is na een paar jaar te voorschijn gekomen. De schijngestalte van de levende is verdwenen. Op het kerkhof begint het ware leven. En dat gaat zeer snel voorbij.’
Eer is Van Vlijmen tijdens zijn leven zeker niet onthouden. Maar naar mijn gevoel zal ‘op het kerkhof het ware leven’ van zijn oeuvre en dat van vele van zijn collegae seriële componisten gaan beginnen. Begraven zal het worden in bibliotheken waar het tot stof zal vergaan, hoewel dat laatste misschien overdreven is in het digitale tijdperk waarin wij leven. Er zal toch wel ergens een plekje op een geheugenchip gevonden worden? Dat is dan een geluk bij een ongeluk, want dan kunnen generaties nadien er lering uit trekken dat vernieuwing op zichzelf niet vanzelfsprekend leidt tot meesterwerken. Zelfs de meest rigide opvattingen verdampen in het verloop van de tijd en dat is een hoopvol perspectief. Jan van Vlijmen was een Pierre Boulez‑achtige schoolmeester, maar die mogen er ook zijn. Er zijn geen overbodige mensen. Dankzij Jan en Pierre kan de volgende generatie weer vrij en ongedwongen componeren. En dat dit gebeurt is wekelijks op diverse podia te constateren.
NASCHRIFT
In de
Volkskrant
van 25 oktober 2007 op pagina 16-17 van de bijlage
[kunst] verscheen
een interview van Anneke Stoffen met jurist en econoom Nachoem Wijnberg
over
het vak ondernemen in de kunsten dat naadloos aansluit bij de
subsidieproblematiek aangekaart in het begin van bovenstaande column.
Enkele
citaten:
Wijnberg,
sinds 25 oktober 2007 hoogleraar cultureel ondernemerschap en
management aan de
UvA stelt: ‘Ik doe onderzoek dat mogelijk helpt een
beetje te begrijpen
welke factoren succesvol cultureel ondernemerschap bevorderen of
tegenhouden.’
Over
de beoordelaars in subsidiecommissies: ‘In de praktijk
ontstaat er in die
commissies een inner
circle van
steeds dezelfde soort personen die dezelfde soort criteria
hanteren.(…)Om
dat te doorbreken moet je zo nu en dan andere criteria hanteren voor
het geven
van subsidie.’
Er
moet dus altijd ruimte zijn voor nieuwkomers
In
het interview geeft Wijnberg aan dat er een kloof is tussen kunst en
economie:‘Wie te veel bezig is met de zakelijke kant, wordt
minder
serieus genomen als kunstenaar.’
‘Stap
één voor de cultureel ondernemer is te zorgen dat
hij in elk geval meedoet in
het proces. Want zolang je niet wordt gezien of gehoord, doet de
kwaliteit van
wat je maakt er niet toe. Je moet aandacht genereren. En internet maakt
het
mogelijk jezelf buiten de reguliere kanalen om in de schijnwerpers te
zetten.’
De
interviewster vat tenslotten samen ‘Een fabrikant van
koelkasten die
nooit een koelkast verkoopt, zal uiteindelijk wel stoppen met zijn
productie.
In de kunst is de bereidheid om langer te wachten op succes volgens
Wijnberg
groter dan in veel andere delen van de economie.’
Er
moet ruimte zijn voor nieuwkomers
Column 22-8-2007
Op naar een nieuw Liedboek
Het
Liedboek voor de Kerken heeft vanaf haar eerste druk in 1973 nooit
kunnen dienen als de enige zangbundel in de kerken. In 1966 kwam de
liedbundel Alles wordt Nieuw uit.
Op 20 april 2007 nam de Synode van de Protestantse kerk in Nederland
unaniem het besluit om de ISK, de Interkerkelijke Stichting
voor het Kerklied, de opdracht te verlenen om in 2012 met een
nieuw liedboek te komen.
Betekent dit dat het huidige liedboek geen succes is?
Niets lijkt mij minder waar. De uitgave van het liedboek heeft elan
en structuur gebracht in de Nederlandse kerkmuziek in het
algemeen. In de jaren 1950-1960 zijn er bij de gezangen bijvoorbeeld
zelfs een flink aantal ‘klassiekers’ ontstaan.
De ISK stelt zich nu opnieuw ten doel een stimulans te geven aan de
Nederlandse kerkmuziek. Dit doel wordt breed gedragen gezien de
unanieme instemming van de synode van de PKN met het voorstel.
In de ISK participeren voor het nieuwe liedboek vier kerkgemeenschappen:
-PKN
-Broederschapraad
van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit,
-Commissie tot de zaken van de Remonstrantse Broederschap
-Landelijk bestuur van de Vrijzinnige Geloofsgemeenschap NPB
Predikanten
en kerkmusici ervaren het blijkbaar als toenemend lastig om een
bevredigende liedkeuze te maken. Naast het liedboek zijn er inmiddels
tenminste 34 liedbundels te vinden, inclusief de acht bundels Zingend
Geloven. Persoonlijk ervaar ik liedbundels die trachten
leemtes op te vullen ten opzichte van HET Liedboek, als
positief. Waarom zou men dit onwenselijk vinden?
Het synode-besluit zal de nodige pennen en toetsenborden in beweging
brengen en ook dit is toe te juichen. Laat de kerkmuziek maar optimaal
in beweging blijven.
Voorstellen
en criteria
De synode baseerde haar opdracht aan de ISK op de 23 pagina’s
tellende nota van de ISK uit juli 2006 met voorstellen waarin men in
het kort gezegd, streeft naar:
- minder dominant mannelijk taalgebruik;
- voldoende kinderliederen;
- teksten waarin de hedendaagse werkelijkheid en sociaal engagement
worden verwoord;
- voldoende niet-strofische- en onberijmde liederen;
- repertoire van buiten Europa;
- zangspreuken, canons en acclamaties;
- onberijmde en nieuw-berijmde psalmen;
- gedeeltelijke overname van gezangen uit het LvdK;
- selectie uit bundels als Gezangen voor Liturgie,
Evangelische Liedbundel, Zingend Geloven. Tussentijds, Zingende gezegend,
uitgaven van (de) basisbeweging(en) etcetera.
In de voorstellen wordt er verder naar gestreefd om naast een tastbaar
liedboek ook een digitale versie te publiceren, zodat weergave via
beamers eenvoudig mogelijk wordt.
De kerkorde van de PKN verwoordt: De generale synode bevordert de
eenheid in de kerk door (…) het aanbieden van een
of meer psalm- en gezangboeken
Tot in de puntjes uitgewerkte criteria worden door het ISK
(nog) niet geformuleerd. Voor geselecteerde liederen geldt in elk geval
het criterium dat:
minimale eisen gesteld mogen worden wat betreft tekst, muziek,
liturgische functionaliteit en theologie.
Het lijkt mij overigens beter te spreken van maximale eisen
want persoonlijk kan ik me weinig voorstellen bij de term
‘minimale eisen’. Men heeft toch redenen om aan te
nemen dat er maximale eisen aan de liederen en de tekst zullen worden
gesteld, gezien het niveau van het huidige liedboek dat ook
internationaal waardering heeft.
De
teksten zullen zich kenmerken door:
- eenvoud;
- beeldend vermogen;
- evocatief of belijdend karakter;
- goede prosodie (de verhouding tussen woord en toon) met zingbare,
memorabele melodieën.
Visie
De ISK ontwikkelde de volgende kort weergegeven visie:
Behalve gebruik in de eredienst zal het gebruik van het
liedboek ook mogelijk zijn in leefkringen, zoals
vieringen in kleine kring, pastoraat en meditatie.
Bij de samenstelling van het nieuwe liedboek wordt een selectie uit het
huidige
Liedboek voor de Kerken overgenomen en zal er uit
bestaande liedbundels worden geselecteerd, omdat de ISK het culturele
en hymnoligische erfgoed van de kerk wil koesteren. Daartoe worden ook
alle psalmmelodieën en de berijming van 1967 worden
overgenomen.
Proeve
In de kerkorde is al geregeld dat een nieuw liedboek eerst wordt
beproefd.
Dat is mogelijk via proefbundels, informatiebulletins, deelkaternen,
landelijke en regionale zangdagen en het produceren en op de markt
brengen van cd’s. Verder zullen er instrumentale en vocale
zettingen worden aangeboden om nieuwe liederen in de gemeente te
introduceren.
Budget
en werkwijze
De synode heeft 600.000 euro beschikbaar gesteld als basisbedrag en
150.000 euro begroot voor opdrachten aan dichters en componisten en
voor het inwinnen van adviezen. Vijf jaar is voor het project
uitgetrokken.
In de planning worden de kosten van een eventuele proefbundel
gedekt door de verkoopopbrengsten, zoals dit ook is gelukt
bij de bundel Tussentijds.
Gedurende vijf jaar zal een coördinator worden aangesteld die
de dagelijkse leiding heeft over het redactieproces en lid is van alle
werkgroepen met allerlei deelopdrachten.
Er komen supervisoren met uitsluitend een adviserende rol, die kerken,
geloofsgemeenschapppen , stromingen en organisaties vertegenwoordigen.
Tijd
– verandering - gevoel
De tijd dat liedbundels meerdere generaties mee konden is, gezien de
snelle veranderingen die in ons tijdgewricht plaatsvinden, voorbij.
Waarom daarover treuren? Veranderingen, mits goed doordacht en
geregisseerd, kunnen bij velen creatieve energie opwekken en
mogelijkheden bieden om telkens opnieuw nieuwsgierig te worden.
In dat licht bezien betwijfel ik overigens wel of een periode van vijf
jaar voor de vorming van het nieuwe liedboek voldoende is. Zeven jaar
is dunkt mij niet alleen een mooi bijbels getal, maar in dit geval ook
een meer realistische periode. De proeftijd is juist een
creatieve tijd en daarom is het jammer dat er binnen vijf jaar al een
einde aan de wordingsgeschiedenis van het nieuwe liedboek zal komen..
Enfin, de tijd zal het leren of vijf jaar voldoen is...
De voortvarendheid om het huidige liedboek te vervangen wekt ook wel
wat verbazing. Is de algemene teruggang van het ledental van de kerken
niet eerder een reden voor krachtdadige initiatieven? Maar wellicht
behoort het gezamenlijk nastreven van hetzelfde doel, in dit geval het
nieuwe liedboek, óók tot
één van die pastorale initiatieven.
In de Johanneskerk zullen eventuele proefbundels met enthousiasme en
plezier worden ontvangen en gezongen. Als uw organist verheug ik me in
ieder geval om me te laten inspireren door nieuwe melodieën en
teksten teneinde deze zo fraai mogelijk in voorspelen en introducties
te laten horen.
Alleen als zou blijken dat een voorspel onvoldoende houvast biedt aan
de gemeente, hetgeen in mijn beleving in de Johanneskerk maar zelden
voorkomt, vind ik het voor de dienst ‘inzingen’ van
melodieën te prefereren boven een uitgebreid voorspel.
Een dienst mag namelijk, in mijn beleving, een voortdurende spannende
Godsdienstoefening blijven. Het spontane pure liturgische gevoel dat
men kan ervaren bij het zingen van het gezang op de bedoelde plaats in
de liturgie kan door het vooraf oefenen juist aangetast worden.
Wanneer meerdere coupletten gezongen worden ervaart men dat het samen
zingen van een onbekende of moeilijke melodie steeds beter gaat. Dat
ervaren van steeds beter, steeds saamhoriger zingen, dat is ook
liturgie.
Voetnoot:citaten en informatie over het ISK rapport 2006 overgenomen uit, Peter Ouwerkerk, ‘Een nieuw liedboek’, Muziek & Liturgie, juni/juli 2007 pagina 5-7
Column 22-8-2007
Top Twaalf Liederen
Tekst verschenen in de MAANDBRIEF van de Johanneskerk te Amersfoort
JULI/AUG nummer 2007
Top Twaalf Liederen
Liederen die iedereen zou moeten kennen
Pieter Endedijk, predikant in Didam en kerkmusicus, stelde een top
twaalf van protestantse kerkliederen samen.
De liederen bevatten een tekst die ook vandaag nog aanspreekt, en een
melodie die
uitnodigt tot meezingen. Zijn keuze omvat vijf eeuwen kerkgeschiedenis.
Opvallend aan Endedijks keuze vind ik dat er ook melodieën
zijn die amper worden gezongen in Nederland zoals ‘De maan is
opgekomen’. Het gaat dan ook niet om populariteit. Het is de
persoonlijke lijst van Endedijk die zijn keuze wel uitgewisselde met
andere kerkmusici. Men kan dit boekje op vakantie meenemen want de
liederen zijn internationaal in het protestantisme bekend. Maar het is
ook interessant de keuze eens na te lezen in het liedboek want op
één na staan alle liederen in het Liedboek voor
de Kerk de nummers staan achter de titel.
Dit is de selectie:
1. Kom tot ons, de wereld wacht (122), voorreformatorisch/16e
eeuw,Duitsland
2. Heer, onze Heer, hoe heerlijk en verheven (Psalm 8), 16e
eeuw,Zwitserland
3. Op, waakt op, zo klinkt het luide (262), 16e eeuw, Duitsland
4. O morgen van verblijden (214), 17e eeuw, Duitsland
5. Lof zij de Heer, de almachtige Koning der ere (434), 17e
eeuw,Duitsland
6. De maan is opgekomen (391), 18e eeuw, Duitsland
7. O Jezus, hoe vertrouwd en goed (446), 19e eeuw, Engeland
8. De Heer is mijn herder (14), 19e eeuw, Nederland
9. De nacht is haast ten einde (130), 20e eeuw, Duitsland
10. De aarde is vervuld (223), 20e eeuw, Nederland
11. De Geest des Heren heeft een nieuw begin gemaakt (247), 20e
eeuw,Nederland
12. In de schoot van mijn moeder geweven, 20e eeuw, Nederland
Pieter Endedijk publiceerde begin juni 2007 het boekje 'Canon van het
protestantse kerklied' ‘twaalf kerkliederen 'die iedereen zou
moeten kennen'. Het is een idee van de Protestantse Kerk in Nederland
(PKN) met het oog op 'startzondag' in september 2007.
Willem van Twillert
Column 1 juni 2007
Het raadselachtige van componeren
Het proces van laten stollen van je
gedachten, het schaven, het zoeken naar grotere verbanden, alle
mogelijkheden die je vakkennis je aanreikt benutten om iets tot stand
te kunnen brengen waarvan het geheel groter is dan de afzonderlijke
delen. Dat schenkt een gevoel van schoonheid en van voldoening,
tenminste als het lukt.
Componeren leert je om in jezelf te ontdekken wat je het beste kunt.
Componeren ervaar ik dan ook als een verlangen om iets te
creëren om energie vrij te maken voor concentratie en afzien,
want het is geen gelopen race. Tijdens het proces is het maar de vraag
of het allemaal zo mooi blijft als je denkt. Soms wordt een besluit om
een compositie te maken ook mede ingegeven door de overtuiging dat het
beter is je tijd te benutten aan iets blijvends dan tijd te wijden aan
het genieten van het uitzicht op de tuin of iets dergelijks. De
voldoening die gloort als een uitdaging tot tevredenheid is getrotseerd
heeft een aparte bekoring.
Een bekoring die zelfs groter is naarmate de problemen die je hebt
getrotseerd omvangrijker waren. Volharden op zich houdt overigens niet
in dat je compositie (om me tot die bezigheid te beperken) ook
daadwerkelijk altijd alle moeite waard is. In je werk ultieme kwaliteit
nastreven is een voorwaarde maar houdt helaast niet automatisch in dat
je met dit streven altijd kwaliteit afdwingt. Maar zo’n
houding leidt er soms wel toe dat je je poging een kunstwerk tot stand
te brengen staakt. Een mens is maar een mens en falen hoort bij het
mens zijn. Overschatting van je mogelijkheden is een valkuil waarin je
op die manier ook niet intuint. Dat onderbreken of staken houdt
bovendien in, dat je weer energie vrij maakt voor een nieuwe poging.
Uiteindelijk zeeft de tijd de ware kunstwerken, Dat is een ordening die
je als sterveling maar buiten je bereik moet laten vallen omdat het te
groot is voor een mens uit de eenentwintigste eeuw. Denk als kunstenaar
dus ook gewoon en doe en onderneem derhalve dat waar je zin in hebt. Is
ook goed voor een positief levensgevoel trouwens.
Kees Fens, één van de door mij bewonderde
columnisten schreef in zijn column, ‘Een onvergetelijk
onaanzienlijk mannetje (de Volkskrant op 22 maart 07): ’Ik
kijk weer naar de foto (van Bruckner wvt) en sta voor de zoveelste keer
voor het raadsel van de creativiteit, dat voor mij, bij muziek altijd
groter is dan bij literatuur.’
Ik zwicht voor de verleiding om van Valéry wat
indrukwekkende teksten te citeren. Waarom?
Zijn woorden inspireren me altijd weer en ze raken me omdat ze dicht
bij mijn belevingswereld komen. Aan woorden van Valéry
ontleen ik vaak energie om door te gaan en het ontwikkelt bij mij een
positief gevoel met het noodzakelijke restje realiteitsbesef, waardoor
ik de krachtmeting tussen zwoegen en flow; tussen vrijheid en ordening
weer aan kan gaan.
Daarom lees ik regelmatig in Paul Valéry (1871-1945),
‘Cahiers –De macht van de afwezigheid’,
Nederlandse vertaling: Maarten van Buuren / Utrecht, Historische
uitgeverij 2004.
Onderstaan wat citaten van hem:
‘Schoonheid leidt tot verlangen naar herhaling, schijnbaar
oneindige herhaling en is daarom het tegendeel van het verlangen naar
iets nieuws.’ (p. 94/68)
‘De exclusieve liefhebbers van het nieuwe beseffen niet hoe
groot het vermogen van een werk is om weer herhaald te worden, weer
beluisterd, weer gezien te worden – hoe belangrijk de
Weer-waarde – van een kunstwerk is.’ (p.99/70)
‘Kunst begint, als natuurlijke behoefte – met de
behoefte om te maken. De bevrediging zit in het doen – een
doen dat voldoening vindt in zichzelf, zichzelf boeit, zich spiegelt in
wat het maakt –(…)’ (p.109/78)
‘Bach, Triomf van de intrinsieke Muziek. Niets komt van
buiten. Alle kaarten liggen op tafel – Geen schaduwen. Geen
gevoel. Geen mysterie, anders dan dat (het Allerhoogste -) van het
bestaan in en door zichzelf.’ (p.112/75)
‘Kunstwerken hebben als voorwaarde dat ze een gemoedstoestand
scheppen, of van een gemoedstoestand uitgaan.’(p.128/82)
‘Het is nu eenmaal niemand opgevallen dat we uit onszelf
evenveel onbenullige als mooie dingen naar boven halen. Het IK kiest
uit het IK.’ (p.180/197)
‘Advies: Kunstenaar, doe wat je het beste doet. Maar zet
daarbij alle intelligentie in waarover je beschikt – Leer in
jezelf ontdekken wat je het beste kunt en voor het maken waarvan je om
zo te zeggen gemaakt bent.
[Het eerste pagina nummer verwijst naar de oorspronkelijke uitgave, het
tweede nummer naar de aangehaalde Nederlandse vertaling.]
Ook de inleiding van de uitgavebezorger van Valéry, Maarten
van Buuren, met de titel, ‘De geest als narcissus’,
p. 15, bevat trouwens behartenswaardige tekst zoals: ‘Voor
Valéry ‘zijn afgeronde kunstwerken op zijn best
afvalproducten van een wordingsproces waarin zich alle creativiteit
samenbalt…’
Een mooi citaat om mee af te ronden.
Willem van Twillert
Column 30 mei 2007
‘,…maar tot een eenmaal afgesloten compositie keer
ik nooit terug.’ Sjostakovitsj in 1954
Graag lees ik muziekgeschiedenis en biografieën van
componisten.
In mijn jeugd verslond ik het in 1967 verschenen
‘Mozaïek
der Muziekgeschiedenis’ van Otto Glastra van Loon,
Bosch
& Keuning, Baarn 1969.
Halverwege 2006 las ik, ‘Sjostakovitsj zijn leven, zijn werk,
zijn tijd’ van Krzysztof Meyer (vertaling van Willem Bruls,
uitgegeven bij Atlas Amsterdam /Antwerpen1996).
Het citaat dat de titel is van deze column wordt regelmatig herhaald
als ik pogingen doet om te componeren. Een snelschrijver van noten ben
ik niet. Keuzes maken ervaar ik als lastig en tijdrovend. Er wordt door
mij veel gesleuteld ook vaak nog als een compositie (bijna) klaar is.
Als het te gek dreigt te worden, wellicht te wijten aan gebrek aan
talent, dan helpt dit citaat mij om verantwoord met de
materie om
te gaan.
Daarom geef ik dit citaat graag door met nog wat citaten.
Sjostakovitsj nam in 1954 tijdens beraadslagingen in het
componistenhuis te Moskou het woord in een discussie over zijn nieuwe
werk:
‘Aan de Tiende symfonie werkte ik in de zomer van het vorige
jaar
en ik voltooide het stuk in de herfst. Ik schreef haar, net als al mijn
andere werken – zeer snel. Dat is overigens geen deugd maar
eerder een gebrek, want met zo’n werktempo is het niet
mogelijk
veel en goed te schrijven. Zo snel ik met een werk klaar ben, verdwijnt
de geestdrift ervoor. Als ik – soms zeer ernstige –
fouten
in een nieuw stuk ontdek, denk ik dat het goed is om dit in de volgende
werken te vermijden, maar tot een eenmaal afgesloten
compositie
keer ik nooit terug.’ (pagina 332 in aangehaald boek) Een
geweldig statement vind ik dit. Het verklaart tevens het grote oeuvre
van deze componist en verleent een sleutel tot het verstaan van de
muziek van Sjostakovitsj.
Op pagina 279 wordt een brief van Sjostakovitsj afgedrukt,
‘… de bliksemsnelle wijze waarop ik componeer
verontrust
me. Het is ongetwijfeld slecht. Men zou niet zo snel moeten componeren
als ik . Het is tenslotte een ernstig proces en daarom zou men niet
moeten “galopperen’’ (zoals een bekende
ballerina
placht te zeggen). Ik componeer akelig snel en kan mezelf niet
afremmen. […] zo gauw ik een werk afheb, ben ik er niet meer
zo
van overtuigd dat ik de tijd nuttig heb besteed. Maar de domme gewoonte
overwint telkens en ik componeer vervolgens op precies dezelfde manier
verder. ‘
Op pagina 230 lezen we over gemeenschappelijke lessen die hij gaf.:
‘Omdat Sjostakovitsj steeds beweerde dat er in de muziek geen
‘minderwaardige’genres bestonden, liet hij zijn
studenten
kennis maken met de polka’s en de walsen van Johann Strauss
en
met de muziek van Jacques Offenbach. Ook werden vragen over de
populaire muziek de dansmuziek den de massaliederen
behandeld.’
Laten we blij met zijn met alle genres in muziek.
Anderzijds… ieder mag voortdurend voorkeuren koesteren.
Sjostakovitsj was in het bijzonder gehecht aan twee composities getuige
het feit dat hij elk jaar met zijn vrienden twee gelegenheden
vierde, namelijk de premiere van zijn eerste symfonie op 12
mei
en de voltooiing van zijn dertiende symfonie op 20 juli 1962 (Hij begon
er mee in maart 1962)
Uitvoeringen van de dertiende symfonie werden tot aan de dood van de
componist voortdurend door de Russische machthebbers gedwarsboomd met
pesterijen en het opwerpen van bezwaren en belemmeringen vanwege het
gebruik van een gedicht van Jevgeni Jevtoesjenko die de tragedie
verwoord van de joden die in het ravijn Babi Jar bij Kiev waren
vermoord. S werd eenzijdigheid verweten omdat in het gedicht alleen
sprake is van het lijden van de joden terwijl er bij dit drama ook
mensen met andere nationaliteiten zijn omgekomen.
Willem van Twillert
Column
Het goede
gevoel. Willem Brons en Piet Kee , twee fenomenale leraren
Op stille zaterdag 7 april 2007 hoorde ik een interview met Willem
Brons in het programma viertakt www.nps.nl/viertakt
Bijna 70 jaar is hij nu, maar Willem Brons klinkt nog even vitaal als
ik hem herinner tijdens de pianolessen aan het Muzieklyceum (later het
Sweelinckconservatorium) te Amsterdam in het midden van de jaren
zeventig. Een stem veroudert niet.
Hij spreekt zoals hij piano speelt. Met een bronzig timbre, met veel
legato en levendigheid. Stellig en badinerend tegelijk. Het klonk of ik
weer terug was in 1974 in het pand van het Muzieklyceum op de
Prinsengracht in Amsterdam. In die hoge kamer aan de voorkant van het
gebouw met twee nieuwe Bösendorfer-vleugels. Uitzicht op de
Prinsengracht, het kan slechter…
Geweldige lessen gaf Willem Brons daar. Hij lesgevend aan de ene
vleugel, altijd aan de rechterhand van de student. Soms speelde hij
even met je mee. Vaak illustreerde hij gelijktijdig hetgeen hij aan het
verklaren was. Intensief. Ook toen had hij al die natuurlijke innemende
en overtuigende doceerhouding. Je wilde direct na de les als het ware
weer verder studeren om zijn visie uit te proberen en in klank te
vangen.
Aan sopranisten (pianisten die vooral de nadruk leggen op de bovenstem)
had en heeft Willem Brons een hekel. Een levendige voordracht met oog
en oor voor elke stemvoering is zijn ideaal. Geen wonder dat pianisten
in Japan met hem weglopen. Volgens Willem Brons omdat ze daar
nieuwsgierig zijn naar zijn muzikale beweegredenen. De technische kant
van de medaille hoef je aan Japanse pianisten niet zo snel uit te
leggen. Nooit zal Willem Brons techniek loskoppelen van muzikale
zeggingskracht. Timing, klankkleur, analyse, de betekenis van muziek,
daar gaat het om, behoort direct in het oor te springen. Op zijn
“debuut”-CD (label Eusebius) speelt hij werken van
Mozart. Op de radio hoorde ik die zevende april 2007 de pianolessen van
een kleine dertig jaar geleden weer naklinken:
dat pianospelen geen eenvoudige bezigheid is;
dat je alle aspecten van muziek maken behoort te beheersen en dat techniek daartoe belangrijk is, maar niet het belangrijkste;
dat niet iedereen het kan leren, je moet er dus wel talent voor hebben;
dat een pianist niet kan uitblinken in elke stijl;
dat het niet alleen gaat om het snelste tempo, maar om beweging, timing toonvorming, omdat je zodoende de geest kan oproepen van muziek en zo de structuur en het stemmenweefsel helder kan maken
Het tempo opjagen in muziek dat doe je
niet tenminste als je student wilde blijven van Willem Brons. Want bij
hem hoef je niet aan te kloppen voor het snelste tempo. Hij zal je
direct proberen te overtuigen dat er mooiere aspecten zijn dan zo snel
mogelijk spelen van een werk.
Om van Willem Brons les te mogen krijgen moest je overigens eerst een
toelatingsexamen afleggen want ook toen al was Willem Brons een gevierd
docent.
Nooit zal ik de introductieweek vergeten op Queekhoven, een schitterend
gebouw aan de Vecht te Breukelen dat als conferentie- en
ontmoetingsoord voor musici is opgezet door harpiste Phia Berghout.
Daar hoorde ik hem voor het eerst de Sonate in Bes grote terts van
Schubert spelen. Een wereld ging voor me open, het klinkt als een
cliché, maar zo ervoer ik het. Nadien heb ik Willem Brons
ook in het concertgebouw gehoord, zowel in de kleine als in de grote
zaal. Een grote carrière scheen voor Willem Brons toen in
het verschiet te liggen, maar misschien was hij voor een virtuoos wel
te introvert of voelde hij zich teveel ook een docent.
Hij heeft, voor zover ik weet, niet telkens de globe rondgereisd om
zijn naam te vestigen, nee hij is vooral docent gebleven.
Gelukkig dat hij nu meer opnamen gaat maken. Laat het niet bij deze ene
debuut-CD blijven.
Hij heeft trouwens geen afkeer van opnemen, integendeel: Voor deze
Mozart-opname had hij naar eigen zeggen zijn fans meegenomen oftewel
zijn vrouw en de twee opnametechnici. Tijdens de opname die anderhalve
dag duurde is hij steeds beter gaan spelen hoorde ik hem zeggen.
Maar Willem van Twillert, jij wilde toch organist worden? Zeker, maar
gelukkig speel ik zowel piano als orgel. Een voor mij gelukkige
combinatie. De voordracht en intensiteit die ik bij Brons leerde kan ik
vaak vertalen bij interpretatie van romantische orgelwerken. De
combinatie Piet Kee voor orgel en Willem Brons voor piano ervoer ik als
buitengewoon creatief. Willem Brons was trouwens
één van de eerste orgelleerlingen van Piet Kee.
Zij respecteren elkaars opvattingen. Piet Kee kreeg zelfs vaak glans in
zijn ogen als ik probeerde het zangerige, cantabile element ook in mijn
orgelspel te leggen. Hij behoedde mij daarbij voor overdrijving. Liet
me de zogenaamde rode draad, de eenheid van een compositie ervaren.
Zo’n ervaring kreeg je trouwens pas als je van een compositie
technisch de noten beheerst.
Piet Kee was ook de man van de onberispelijke techniek. Maar ook bij
hem stond techniek in dienst van de muziek. Ik herinner me in het
voorbereidingsjaar op het conservatorium dat Piet Kee een keer niet zo
tevreden was over mijn techniek. Ik moest de vingers zonder een enkele
overbodige beweging op de toets neer laten komen. Enfin ik kreeg
daarvoor een oefening en o ja, of ik over enkele dagen wilde terug
komen om de oefening voor te doen. Dus reisde ik een paar dagen laten
van Bunschoten, waar ik gewoon was blijven wonen, naar Amsterdam, naar
de Maranathakerk waar Frits Mehrtens de cantor en organist van het
drieklaviers Flentrop-orgel was, en ik deed de oefening aan Kee voor.
Na vijf minuten stond ik weer in de Rijnstraat. Het resultaat hiervan
was dat ik vanaf toen zeer bewust met techniek omging. Onachtzaamheid
was er bij mij al niet, maar toen was er naast toewijding ook een grote
alertheid bijgekomen.
Overigens leerde ik bij Willem Brons spelen vanuit het grote gebaar met
het gewicht van de arm in plaats van louter het vingerspel. Ik denk dat
ik daardoor nog steeds graag een uitgebreid repertoire probeer te
onderhouden van middeleeuwen tot en met de modernen. Anno 2007 ervaar
ik het nog steeds als een groot goed dat ik van beiden les heb mogen
ontvangen. Zowel Piet Kee als Willem Brons zijn charismatische
persoonlijkheden die hoge eisen stelden aan eigen bekwaamheden en die
van hun studenten. Zij konden dit ook zonder veel ophef op een
natuurlijke manier op hun studenten overbrengen. Qua karakter
verschillen ze trouwens hemelsbreed van elkaar. Interessant trouwens
om, als min of meer naïef student, die verschillen in
persoonlijkheid te ervaren. Hoewel naïef? Misschien, maar ik
was me zeker bewust van mijn keuzes. Misschien ligt dit aan het feit
dat ik ben opgegroeid in een vissersdorp waar het niet vanzelfsprekend
is dat je voor muziek koos. “Waarmee ga je dan je brood later
verdienen”, was toentertijd een veelgestelde vraag. En
misschien was die vraag wel terecht. Bewust van je beroepskeuze word je
daar in ieder geval wel van.
Daar les te mogen volgens waar de meeste kwaliteit geboden werd daar
was ik naar op zoek. Maar hoe weet je dat? In 1970 was het de bedoeling
dat ik naar het Utrechtse Conservatorium zou gaan. Op een keer kwam
Louis Mol de kerkruimte van de Maranathakerk te Bunschoten inspecteren
voor een uitvoering met zijn oratoriumkoor te Baarn, waar hij dirigent
van was. Ik oefende er aan het Willem van Leeuwen-orgel uit 1955, een
mooi instrument. Lous Mol die ooit orgelstudent was bij Piet Kee, kwam
uiteindelijk naar boven naar de klavieren, nieuwsgierig als hij was
geworden blijkbaar door mijn spel. Hij bond me aan het eind van het
gesprek op het hart om toelatingsexamen te doen aan het Muzieklyceum te
Amsterdam om dat daar Piet Kee als orgeldocent werkzaam was. Mocht ik
het toelatingsexamen niet halen dan was er altijd de mogelijkheid dit
nog eens te doen aan een ander conservatorium.
Lous overleed slechts een een paar jaar na dit gewaardeerde advies,
jong nog. Gelukkig heb ik onder zijn leiding te Baarn nog als
continuospeler mogen meespelen in de cantate BWV 6 met onder andere
Jaap Hüllsman als cellist, de zoon van de toenmalige organist
van de Grote- of St. Joriskerk te Amersfoort, Willem Hüllsman.
Willem Brons is ‘still going strong’ als docent.
Piet Kee evenzo, maar nu als componist. Dit jaar viert Kee zijn
tachtigste verjaardag in een Stadsorgelconcert, een concert, te geven
door Jos van der Kooy op 4 september 2007 in de Grote- of Sint Bavokerk
te Haarlem. Aanvang 20:15 uur.
Zie ook: www.haarlemcultuur.nl
en
www.willembrons.nl
Column
Zou Mozart…? Over het Mozartjaar 2006 2006-08-18
Dat we de muziek van Mozart in 2006, het Mozartjaar in het zonnetje
zetten,… wat zou Mozart daar zelf van denken? We zullen het
nooit weten.
Volgens mij zou hij in lachen uitbarsten en niet begrijpen dat wij ons
anno 2006 nog steeds massaal vergapen aan zijn opera’s. Wij,
met onze moderne middelen, met digitale belichtingstechnieken, terwijl
opera’s in Moarts tijd alleen met de grootst mogelijke moeite
in het licht konden worden gezet door honderden kaarsen. Zou Mozart
begrijpen dat we nog steeds zijn pianosonates spelen? (En hoe, luister
naar de CD van Willem Brons zie column Het goede gevoel en/of
www.willembrons.nl)
Zou Mozart niet verbaasd zijn, en zich afvragen of er de afgelopen
tweehonderd jaar geen muziek is bijgekomen die zijn werk in de schaduw
heeft kunnen stellen?
Och, misschien ook niet, Mozarts muziek is binnen zijn stijl van
ongeëvenaarde klasse. Dit geconstateerd hebbende geloof ik
toch dat Mozart anno nu, zich zou verkneukelend over het feit dat meer
dan twee eeuwen lang zijn werk al repertoire houd.
Column Orgelfestival Limburg
2006-08-18
Van 14 juli tot 13 augustus speelde zich al weer het vijftiende
‘Orgelfestival Limburg’ af. Een festival met
orgelbustochten, een orgelwandeltocht ( Maastricht), rond de zestig
concerten en een slotconcert met een nazit met zelfs gratis koffie. Wat
wil een mens nog meer… En dat door geheel Zuid-limburg. Er
blijft in de zomermaanden in Zuid-limburg op orgelgebied dus weinig te
wensen over. Er heerst dan ook een echte festivalsfeer. Mensen komen
elkaar tijdens de dagelijks gegeven concerten weer tegen en leren
elkaar zo beter kennen; er kunnen zelfs diepgaande gesprekken ontstaan.
Na afloop van het concert wordt bij het dichtstbijzijnde
café een nazit gehouden. Ik ervaar dit als typisch Limburgs.
Voorafgaand aan het concert, wordt meegedeeld, waar en in welk
etablissement, die nabespreking zal gaan plaatsvinden. Het concert te
Eckelrade was daar een voorbeeld van. Het enige plaatselijke
café bleek overigens, ondanks de afspraak, gesloten te zijn.
Geen probleem: het gehele gezelschap begaf zich vervolgens naar Sint
Geertrui, een kleine drie kilometer verderop. Aan de afstanden van de
plaatsen kan men zien dat tot 1830 het nu Hollandse Limburg Belgisch
grondgebied was want in Nederland zijn dorpen niet zo dicht bij elkaar
gelegen als in ons Limburg en in België.
Te Eckelrade is in 2005 het G. Robustelly orgel uit 1780 gerestaureerd
door Verschueren. Remy Syrier speelde er nu één
van de eerste concerten.
De helft van het concert bespeelde Remy zijn fraaie clavecimbel, dat in
de jaren zeventig door Gerrit Klop te Garderen werd gebouwd. Hoewel ik
het Robustelly-orgel zonder meer interessant genoeg vind om er een heel
concert van te beluisteren, was het klavecimbelspel een mooie
afwisseling.
NOORBEEK (Zie ook fotoreportage)
Ik had de eer een concert te mogen verzorgen te Noorbeek waar het
grootste orgel staat dat van de hand van de Duitse Orgelmaker Wilhelm
Koulen is bewaard gebleven. Koulen was werkzaam in het vlakbij de grens
gelegen Heinsberg. Het tweeklaviersorgel stamt uit 1851 en was
toendertijd een orgel voorzien van alle mogelijke
“moderne” snufjes, zoals een doorslaande Tuba
16’ en Euphone 8’, beide van hout. Ook de Fernflaut
8’ discant, en de fraaie strijkers zijn qua karakter
duidelijk registers van hun tijd.
De windvoorziening heeft een
wel heel specifieke trapinstallatie (zie foto). Enkele jaren geleden
heeft men achter het orgel de nis in de muur weer open gemaakt;
verlichting bij aangebracht; schoongemaakt en,.. nu kan de
trapinstallatie zelfs weer functioneren. Er was achter het orgel
slechts een krappe halve meter diepte om de balgtreden in aan te
brengen. Hoe Koulen dit met succes heeft opgelost kan men op de
bijgaande foto zien.
Het pedaal loopt tot klein b en ligt een hele toon verschoven naar
rechts. Een hele opgave om als bespeler op een pedaal met een
afwijkende ligging onder de manualen je weg te vinden. Als liefhebber
van het Zuid-limburgse landschap wordt een concert in die streek zoveel
mogelijk gecombineerd met een vakantie, zo ook nu. Daarom kon ik me
gelukkig uitgebreid op het Koulen-orgel zelf voorbereiden. Het eerste
wat me trof was de klank van de Tuba 16’. Geweldig!
In maart van dit jaar speelde ik op het Smits-orgel uit 1854 te
Aarle-Rixtel voor DVD-op-namen. We hebben toen dit orgel uitvoerig
gefilmd met als gids, Frans Vermeulen die dit prachtige
drieklaviersinstrument in 1988 restaureerde en de sinds de
oorspronkelijke bouw gereserveerde open plaatsen heeft ingevuld.
Één van deze open plaatsen te Aarle-Rixtel was
het zestienvoets tongwerk voor het pedaal. Daar was ook een Tuba 16
voet gereserveerd, maar dit register is altijd gereserveerd gebleven.
In 1988 plaatste Vermeulen te Aarle-Rixtel een fraaie Bazuin
16’ maar hij gaf toe dat dit niet geheel in overeenstemming
met het oorspronkelijke bestek was. Er was ooit een Tuba 16
gereserveerd maar omdat nu eenmaal doorslaande tongwerken traag
aanspreken heeft men toen anders beslist. Hoe dan ook, te Noorbeek kan
men in elk geval een gaaf exemplaar beluisteren van een doorslaand
tongwerk Een doorslaand succes dus, die Tuba 16’ te Noorbeek,
laten we er maar zuinig op zijn, want ik ken geen enkele andere,
volledig oorspronkelijke, Tuba 16. Hoe je ook over doorslaande
registers denkt, toentertijd waren dat gewilde registers, dus we kunnen
niet zomaar besluiten om nergens meer deze registers te reconstrueren.
De aanspraak was overigens van de Tuba 16’ te Noorbeek niet
zo traag als ik verwacht had. Wanneer slechts in het groot octaaf
één toon onaanvaardbaar traag aanspreekt, de A,
en in het klein octaaf ook één toon, de d, dan
mag men stellen dat ook die beide tonen toch sneller aanspreekbaar zijn
te maken. Verschueren heeft overigens dit orgel in 1971 naar behoren
gerestaureerd.
De Euphone 8’ was in het geheel wat traag in aanspraak, maar
desalniettemin goed bruikbaar in rustige soli. Ondergetekende heeft
zich in elk geval me met zijn programma gelukkig gevoeld op dit
instrument.
Curieus was dat tijdens de voorbereiding er plotseling een zachte licht
knorrende toon te voorschijn kwam, die op gezette tijden van zich liet
horen. Was het doorspraak? Ik legde mijn oor te luister aan de orgelkas
maar ik kon het niet lokaliseren. Vervolgens daarom de windmotor
uitgeschakeld. De toon bleef doorklinken... Het regende die dag en ik
kreeg een vermoeden. Ik ging naar buiten om te kijken en inderdaad, pal
tegenover de kerk aan de overkant van de straat staat een boerderij en
daar was de boer gier uit de put aan het oppompen. Daar kwam die
bromtoon vandaan. Probleem gelokaliseerd.
ROLDUC
In de Abdijkerk te Rolduc verzorgde de stadsorganist Tjeu Zeijen in
samenwerking met zijn vrouw Yvonne Nijsten, sopraan en het Kamerorkest
van de WDR Köln o.l.v. Ludo Claesen een concert dat klonk als
en klok. Er met onder andere twee orgelconcerten van Rheinberger.
De kerk was afgeladen vol en toch bleef het orgel van Klais &
Pereboom uit 1933 goed klinken. Ook dit instrument was, evenals het
orgel van Koulen uit 1851, destijds, het modernste van het modernste
met een open front en allerlei speelhulpen. Jammer dat voor dit nieuwe
instrument met een kale open opstelling het toen pas zo’n
zestig jaar oude Müller-orgel in de Abdijkerk er het veld voor
moest ruimen.
Ik zag er allerlei bekende mensen en kon in de pauze Tjeu en zijn vrouw
Yvonne waar ik een paar jaar geleden te Geleen mee ben opgetreden, de
hand schudden en me verontschuldigen voor mijn afwezigheid, gedurende
het tweede gedeelte van het concert vanwege familieverplichtingen.
UNIEK
Zonder overdrijving mag ik stellen dat dit festival vanwege zijn
grootschalige opzet in Nederland een unieke plaats inneemt. Waar anders
vind je de mogelijkheid als bezoeker een orgelconcert te beluisteren
voor slechts een ‘vrije gave’ als entree. Waar
treft men niet alleen vakorganisten uit eigen land, maar ook een keur
aan buitenlandse musici die komen concerteren. Waar kan men aan de hand
van het notabene gratis (!) programmaboek (99 pagina’s) alle
disposities compleet met foto van de bespeelde orgels en de
beschrijving van de loopbaan van elke medewerkende organist nalezen?
Door de opzet van dit festival en, door een enthousiaste centrale
figuur - Henk van Loo - met een eigen visie figuur, die als spil het
gehele radarwerk in beweging houdt trekt dit orgelfestival
bovengemiddeld veel bezoekers per concert.
De reden voor het succes lijkt mij ondermeer ook gelegen in het feit
dat elk concert wordt georganiseerd onder verantwoordelijkheid van een
plaatselijke orgelcommissie of stichting. De SOL (Samenwerkende
Orgelvrienden Limburg) voegt daarbij dan haar logistieke aandeel in de
vorm van een totaalprogrammaboekje en de publicitaire promotie voegt.
De SOL fungeert dus met name als publiciteitsorganisatie en de
organisatie waar subsidiestromen en stroompje hun weg naar toe vinden,
want zonder subsidie lijkt me dit evenement op deze groots opgezette
manier niet vol te houden. Het geheel was een groot succes ondanks het
soms zeer warme weer, waardoor vooral de orgelwandeltoch te Maastrich
het bezoekersaantal van zo’n 300 deed opdrogen tot een
schamele 80 in 2006.
Wie nog niet heeft besloten waar in 2007 de vakantie door te brengen:
het bezoeken van het Limburgs Orgelfestival is zeker het overwegen
waard.
Willem van Twillert
Column
september 2006
Imago van organisten is bedroevend
Een column,
‘Het imago van de organist’ door Willem van
Twillert is gepubliceerd in het kwartaalblad: KUNST EN WETENSCHAP,
september 2006, pagina37. [ISSN: 0927-3506]
Besteladres:Smidstraat 12
8746 NG Schraard
Tel 0517 532042
Mail:
kunstenwetenschap@planet.nl
Een jaarabonnement kost Euro 12,=
Op de vraag wat mijn beroepskeuze was vertelde ik al op jonge leeftijd, dat ik
organist wilde worden. ‘Ja, ja, was dan vaak de reactie en,… met welk vak ga je
dan je brood verdienen?' Dat je ook je geld met het organistenvak zou kunnen
vergaren komt bij velen niet gemakkelijk op. In Nederland kun je met kunst in
het algemeen al moeilijk in je eigen levensonderhoud voorzien, laat staan met
het vak van toonkunstenaar en al helemaal niet als die toonkunst de orgelkunst
betreft. Overigens zou ik zelf niet uitsluitend met orgelspelen het brood op de
plank willen zien te krijgen. Ook in vroeger tijd was dat niet aan de orde.
Lesgeven, koordirectie, componeren, schrijven, organiseren, dat waren de
bezigheden van een organist. En met deze authentieke combinatie van
activiteiten, kun je dus ook heden ten dage nog prima in je onderhoud voorzien,
althans een aantal.
Dat het maatschappelijk aanzien van organist in
Nederland zo laag is verdient de organistenberoepsgroep niet. Een pianist, hoe
matig ook, wordt door de bank genomen gezien als toonkunstenaar, maar gaat die
predikaat ook op voor een vakorganist?
Daar volgt vaak een lauwe reactie op,
soms zelfs met een grimas op het gezicht, of er wordt helemaal niet op
gereageerd, omdat het vak van organist ook nog appelleert aan anti-kerkelijke of
anti-klerikale gevoelens. Als er al een blijk van erkenning is, dan geldt het
vaak de organist die ook koren dirigeert. Vraag je verder, dan blijkt de
betreffende organist een amateur. [Zie ook de
toespraak van drs. Hans
Wilschut op deze site onder 'Johanneskerk']
In de Volkskrant van 1 april 2006 verpulverde Paul Witteman, kleinzoon van
organist Hendrik Andriessen het laatste restje aanzien van de organist:
‘In
onze tijd wordt een organist gezien als een wereldvreemd schepsel dat zijn
boterham verdient door op zondag in de kerk het schaarse volk aan te moedigen
een psalm mee te mompelen. Dat was vroeger wel anders. Buxtehude (1637-1707) was
een centrale figuur in een omvangrijke religieuze organisatie van het welvarende
Lübeck. Hij was verantwoordelijk voor het personeelsbeleid van de kerk, hield de
begroting bij en organiseerde lucratieve concerten voor rijke kooplieden.’
Hier valt niets tegen in te brengen. Of toch wel? Ook in onze tijd zijn er
gelukkig nog organisten aan te wijzen die een centrale figuur zijn in een
‘religieuze organisatie’.
Als je het functioneren van organist vergelijkt
met de amateurpianist dan valt die wat betreft organisatiegraad en
functionaliteit in de gemeenschap, dankzij het wekelijks orgelspelen in kerken
misschien nog wel uit in het voordeel van de organist. Maar,… je moet deze
grootheden helemaal niet met elkaar willen vergelijken.
Hoe dan ook, er
kleeft aan de organist het kerkelijk sfeertje, hoe organisten ook soms hun best
doen het tegendeel te bewijzen. Het tegendeel wordt vervolgens weer met de grond
gelijkgemaakt door het volgende:
De Amerikaanse pianist Earl Wild werd door
Roland de Beer geïnterviewd naar aanleiding van het feit dat deze Wild op zijn
89 ste (!)in het Concertgebouw speelde. Earl Wild liet in de Volkskrant van 24
september 2005 noteren: ‘De wereld zou beter af zijn als iedereen met muziek
bezig was. Goed, dat er nu een paus is die piano speelt. Toen ik 10 was, zei ik
tegen mijn moeder: “God bestaat niet, anders had hij de organist wel dood laten
gaan”.’
Organisten moeten maar blijven opboksen tegen deze scheve
beeldvorming.
In de VPRO GIDS van 21-27 april 2007 schrijft Asha in zijn
column op pagina 7 onder meer;
“De ideologie van Wilders, die kan worden
samengevat met ‘wij moeten het kerkorgel beschermen tegen Mohammed’, is ordinair
- en ik heb niets tegen kerkorgels, maar veel mensen in Nederland zijn dol op
kerkorgels en het wezen van democratie is dat die mensen gehoord mogen worden.
Zijn verdienen het niet om op symposia semi-wetenschappelijk geridiculiseerd te
worden.”
[Dit citaat van Asha is niet vermeld uiteraard in de column zoals
die werd gepubliceerd in het kwartaalblad, ‘Kunstenwetenschap’ van september
2006. Ook het volgende citaat uit Hans Ree, ‘Mijn schaken’, uitgeverij Atlas,
Amsterdam/Antwerpen 2010, p. 305 is pas later aan de oorspronkelijke tekst van
deze column toegevoegd).
Hans Ree schrijft over het orgel in het hoofdstuk,
Berry Withuis (1920-2009 het volgende:
“Het kwam miscchien ook door zijn [B.
Withuis WVT] streng gereformeerde opvoeding, waar hij op een verbeten manier
afstand van had genomen. Op zijn crematie zei zijn dochter Yolande: ‘De klanken
van een orgel brachten hem in een staat van woede en paniek.’ “
Er zijn
ook initiatieven die het tegenovergestelde tonen. Laat ik er enkele noemen:
Orgelspel bij zwijgende films; spannende programmeringen bij allerlei
voorbeeldig georganiseerde manifestaties; de in 2007 opgerichte Stichting Het
Orgelpark, in de voormalige Amsterdamse Parkkerk: allerlei comite’s die
orgelreizen, orgelconcoursen, orgelconcerten organiseren; organisten die
eendrachtig samenwerken op DVD's; symposium van de Vereniging Nederlands
Platform voor Orgelkunst en -cultuur (VNPO) waar u aan het slot van deze column
enkele citaten uit aantreft.
En laten we vooral het orgel als instrument niet
vergeten, dat door alle tijden heen, vanaf ongeveer 1400, zich in velerlei
gedaantes naar gelang de smaak van zijn tijd, toont en vertoont, dat doet toch
elke organist vergeten dat de beeldvorming van zijn vak zo slecht is?
De
orgels tonen zich in ieder geval nog steeds onverschrokken; elk instrument op
eigen wijze, zowel in klank als in gedaante. De orgels vormen de frontlijn van
de smaak van hun tijd. Toen, in hun tijd van ontstaan, waren orgels juist
instrumenten om het imago van de opdrachtgever te verhogen. De opdrachtgever,
die zowel een stad als een persoon kan zijn, wilde aan de hand van het orgel
demonstreren hoe goed het de stad of de milde gever verging.
Pronkzucht was
vaak van orgelfronten af te lezen. Over imago gesproken. Ga maar kijken in de
Grote- of Sint Bavokerk te Haarlem. Het front van dit fameuze Müller-orgel was
zowel bij de bouw in 1738, als bij de jongste restauratie, voltooid in 1960,
kostbaarder dan het eigenlijke instrument, dat zich achter het front bevindt.
Van mei tot en met half oktober zijn te Haarlem wekelijks gratis orgelconcerten
mee te maken, waar de beste organisten concerteren. Zie:
www.haarlemcultuur.nl
Maakt dit het aanzien van het vak van organist misschien wat stralender?
Nietzsche schrijft in een aforisme: “ Ohne Musik wäre das Leben ein Irrtum. ”
Wie van muziek zijn beroep heeft gemaakt, kan zeker met stelligheid beamen dat
zijn leven zonder de toonkunst een dwaling zou zijn. Ook organisten zullen dit
beamen. In ieder geval deze organist. Een heerlijk vak…, dat orgelspelen.
Willem van Twillert
Citaten ontleend aan het symposium van de
Vereniging Nederlands Platform voor Orgelkunst en -cultuur (VNPO)
in de Doelen te Rotterdam op dinsdag 21 november 2006. Citaten
overgenomen uit:
http://www.refdag.nl/artikel/1282390/#
Martijn Sanders, voormalig directeur van het Concertgebouw te
Amsterdam: „De kerk heeft het orgel gestigmatiseerd. (…) Organisten vechten
elkaar de tent uit en een orgelconcert is geen spektakel. Bovendien kost een
concert in het Concertgebouw 20.000 euro, een bedrag dat door
orgelconcertbezoekers nooit wordt opgebracht. Kortom, ga naar de kerk, die er
toch staat terwijl het orgel niets kost.”
Kasper Jansen,
kunst- en muziekredacteur van NRC Handelsblad: „Er zijn veel initiatieven, maar
het orgel zal nooit een miljoenenpubliek trekken. (…)Bijna alles is al
geprobeerd om het orgel te propageren. Ga er vooral mee door, want bij het zien
van zo veel orgelpijpen ga je om.”
Cynthia Wilson,
artistiek manager van het Rotterdams Philharmonisch Orkest: Maak van het orgel
een toeristische attractie, speel in op de festivalgekte van tegenwoordig en
maak van de stadsorganist een bekend stadspersoon.”
Hans Fidom,
sinds 2006 werkzaam bij de Stichting Het Orgelpark; „Wat je ook aan publiciteit
doet, het helpt geen zier” (…) „Ze [organisten wvt] zouden zich beter moeten
presenteren, en directies van concertgebouwen moeten meer doen om het orgel te
programmeren in concertseries.”
Jos van der Kooy,
stadsorganist van Haarlem: „Als organist durf je nog nauwelijks jezelf te zijn.”
Jetty Podt, organist van de Stevenskerk in Nijmegen:„We
bieden kwaliteit op vele fronten, spelen in op gebeurtenissen en het publiek
wortelt in de muziekcultuur”
Geert Bierling,
stadsorganist van Rotterdam: „Door professioneel het orgel aan de man te
brengen, gaan we nu ten onder aan ons succes.”
Prosper Sevestre,
voorzitter van de VNPO: „Er zijn genoeg mensen die helemaal niets van het orgel
moeten hebben. We moeten dan ook geen moeite doen hen voor het instrument te
winnen.”
Column
10-06-2006
Joost Langeveld met HUMAN BITS tijdens museumnacht
Utrecht 5 november 2005
Over de
MUSEUMNACHT te UTRECHT op 5 november 2005 te Utrecht in het algemeen en
een orgelimprovisatie door Joost Langeveld bij HUMAN BITS (een
zwijgende film) in het bijzonder.
Zoals velen heb je maar weinig de gelegenheid door gebrek aan tijd om
evenementen te bezoeken, maar het is toch van belang kennis te nemen
van wat collega's zoal presteren op eigen vakgebied. Dit voorkomt
eventueel hoogmoedige gedachten. Je ziet wat je eigen mogelijkheden
zijn, je raakt geïnspireerd en weer aangezet tot verdere
studie, vaak zelfs zeer gedetailleerd! Je leert je plaats te zien die
je inneemt temidden van de collega-organisten, die net zoals jij
bezeten zijn van hun 'eigen' instrument en dat ook willen laten horen.
Tijd hiervoor vrijmaken in de agenda is dus een 'must'.
5 november 2005, was het gezin Van Twillert te gast bij de MUSEUMNACHT
te UTRECHT .
Het was weer een geweldige belevenis! Zo kort na het Festival Voor De
Wind op zondag 9 oktober te Utrecht alweer een manifestatie. Wij vinden
dat fantastisch, maar de tijd er voor vinden blijft een probleem!
Bij het Festival voor De Wind waren we aanwezig bij Gijs van
Schoonhoven (zie verslag elders) en nu wilden we Joost Langeveld met
zijn improvisatie op het Marcussen-orgel in de Nicolaikerk niet missen.
Hij trad op 5 november drie maal op. Geweldig toch, dat dit anno 2005
in ieder geval nog mogelijk is.
Nu de PKN een feit is zijn de gevechten op kerkelijk erf op een aantal
plaatsen in alle hevigheid opgelaaid inzake de eigendommen. Dat in deze
voorbijgegaan wordt aan alle emoties die deze strijd met zich meebrengt
moge duidelijk zijn. Dit vindt zonder meer zijn terugslag op de
kunstzinnige belevingen waaraan de kerkelijke traditie zo rijk is. Zo
kan men dus de vraag stellen, of de PKN niet de vergissing van de eeuw
zou kunnen blijken te zijn. In de orgelwereld van nu is echter nog veel
mogelijk. Of dit zo zal blijven is nog maar de vraag! In de
Nicolaïkerk te Utrecht staat de cultuur desondanks hoog in het
vaandel geschreven.
We vonden de improvisaties van Joost Langeveld weer net zo prachtig als
die van Gijs van Schoonhoven op de negende oktober. Zeer inventief ook
qua registratie; de mooiste kleuren werden uit het Marcussen-orgel
getoverd. Je zou niet zeggen dat dit een zogenaamd neo-barok orgel is
met alleen heldere en dus minder warme klankkleuren.
Het ontleden van een enorme walvis werd prachtig op muziek gezet. We
zagen portretten van mensen en konden zien dat er zelfs in de vroege
film momenten zijn die diep kunnen shockeren, verbazen of ontroeren. De
ontroering werd aangewakkerd door de muziek. Improviseren,…
Joost is in deze een meester! Een beetje trots mogen we met elkaar wel
zijn op onze organisten. Van de hausse studenten uit de jaren
’70 en ’80 bij de professionele orgelopleidingen,
die ervoor zorgde dat de conservatoria vol zaten met getalenteerde
orgelstudenten, kan men nu de vruchten plukken. Dus ga luisteren naar
al die uitstekende organisten. Maar goed dat is misschien ook preken
voor eigen parochie.
Joost hebben we na afloop met zijn concert gefeliciteerd; een goede
gewoonte om een collega na een concert even te ontmoeten. Ook Stephen
Taylor hebben we gesproken aan het begin van het concert. Hij gaf ons
een fraai verzorgde ansichtkaartachtige kleurenfolder. Deze folder laat
een indrukwekkend programma zien in zijn kerk, de Nicolaikerk te
Utrecht, voor de komende maand. Zie hiervoor: www.nicolaiconcerten.net.
Een actieve collega die Stephen. “Vaak van elkaar gehoord en
nu zien we elkaar tenminste eens…”, zeiden we
bijna tegelijk tegen elkaar.
De informatie ging wat mank aan tekortkomingen: geen aanvangstijd in
een persbericht, de website die niet zo maar alle berichten prijsgaf.
Wellicht wordt bij volgende evenementen dit als een duidelijk
aadachtspunt aangemerkt. Goede zaken verdienen een prominente plaats in
de reeks van aankondigingen. De toegangsprijs was ook even schrikken:
€ 17,50 zonder enige vorm van korting voor jong noch oud. Dit
bedrag was voor één van de kinderen aanleiding
een opmerking te maken over het uitgavenpatroon in huize Van Twillert.
Na de opmerking, dat een doodshemd geen zakken heeft en een avond vrij
een groter bezit is dan de uitgave groot, werd de discussie als
gesloten beschouwd. Samen de weg zoeken op de weg van de cultuur is een
goede en vooral waardevolle zaak.
Nog
even over geïnspireerd worden gesproken: de improvisatie van
Joost Langeveld is voor mij het zetje in de rug geweest om mij weer aan
het componeren van een nieuw orgelwerk te zetten.
Ook leidt het tot het wat meer genuanceerd oordelen over eigen
prestaties. Al beklim je vele treden naar het hoog in de kerk
geplaatste koninklijke instrument, je dient met beide benen op de grond
te blijven staan, je slechts een radertje in de orgelwereld te weten.
In het Universiteitsmuseum van Utrecht aan de Lange Nieuwstraat hangt
het portret van Belle van Zuylen, een achttiende-eeuwse adellijk
schrijfster van wie nog veel werk is bewaard gebleven. Van haar blijft
mij een uitspraak in het geheugen bewaard: "Als ik denk twijfel ik". Zo
is het toch?
Willem van Twillert
Column
10-05-2006
Nederlandse muziek al eeuwen lang ondergewaardeerd.
|
|
|
|
Gravure
van de Nieuwe Kerk in Amsterdam met koororgel met dichte luiken. |
|
| Felix Meritis, de eerste concertzaal
van Nederland, werd in 1777 geopend. Een fantastische zaal waarin
evenzo prachtige muziek heeft geklonken. Dat het een Australiër is, die onze muziekschatten, die onder andere in deze concertzaal in première gingen, weer onder de aandacht brengt, past wel bij de Hollandse muzikale en algemeen geldende traditie. Simon Murphy, altviolist, leerling van Alda Stuurop en leider van ‘The New Dutch Academy Chamber Soloists', gaf met dit ensemble een concert op 24 maart 2006. Het werd via Radio IV uitgezonden op 10 april. Voordien hoorde ik van deze Simon Murphy eveneens via de radio een documentaire over zijn zoektocht naar Nederlandse muziek uit de achttiende en negentiende eeuw. Murphy is een enthousiast speurder naar muziek van Nederlandse bodem en hij presenteerde tijdens dit concert muziek van onder anderen Josef Schmidt, de eerste dirigent van Felix Meritis. Deze Schmidt is duidelijk onderbelicht gebleven in onze muziek- geschiedenis. Amsterdam was trouwens ooit een centrum van muziekuitgeverijen. Goed, dat daar telkens weer de aandacht op gevestigd wordt. In Schmidt's eerste symfonie hoor je de invloeden van zijn leraar Carl Philipp Abel, Carl Philipp Emanuel en Wilhelm Friedeman Bach, de ‘Sturm und Drang’ en de finesse van de Weense school gevat in een scala van muzikale nuances. Dat spelen met diverse stijlen is eigenlijk typisch Hollands. Dat element, dat Nederlandse cement, dat de diverse stijlen samenhoudt, is nu juist een typisch Nederlands element. Nederland, land van handel en doorvoer. Kan het mooier? En juist dat element waarderen we in eigenlijk het minst, we schatten dit niet op de juiste waarde. Critici trekken al vlug hun neus op als ze menen te merken dat er niet oorspronkelijk genoeg gekomponeerd wordt. Alsof de Mannheimer componisten als Stamitz en Abel altijd naar originaliteit streefden! Natuurlijk niet. Alleen in Nederland vinden we veel vlugger iets mooi dat uit het buitenland komt. Dat was toen, en dat is nu nog zo, helaas. Leren we het nooit? Die lijn kunnen we doortrekken naar de orgelcomponisten bijvoorbeeld van de twintigste eeuw. Een werk als de Triomfmars (misschien een wat ongelukkig gekozen titel) van Herman Nieland, die hij speelde op zijn eindexamen (in 1943 als ik het wel heb) in de Bachzaal te Amsterdam, is een geweldig stuk. Prima geschikt als concertwerk. Piet van Egmond heeft er een mooie opname van gemaakt op het orgel van de Prinsessekerk te Amsterdam. Deze opname is gelukkig bewaard gebleven op nog niet zo lang geleden uitgebracht op CD . Mij is het een raadsel, waarom dit werk niet verplicht is om te worden uitgevoerd door vakstudenten als examenwerk op de conservatoria. En zo zijn er vele voorbeelden te geven. Er is in ieder geval meer dan alleen de orgelmuziek van Hendrik Andriessen, die nog wel regelmatig wordt uitgevoerd. Ook het leven aan het hof in Nederland deed in grandeur niet zo veel onder voor dat aan de hoven van de vele staatjes in Duitsland. Ook Willem V had een echte hofkapel met een heuse hofcomponist. Christian Ernst Graf was zijn naam. Deze hofcomponist gaf met zijn muziek aan het hof vorm. Als Willem V in Apeldoorn op het Paleis Het Loo vertoefde, wenste hij vaak muziek te horen en daartoe schroomde hij niet de volledige hofkapel, bestaande uit zo’n zestien personen per koets van Den Haag naar Apeldoorn te laten komen. Ziet u het voor u? Een hele onderneming. Nee, we kunnen niet zeggen dat het hier een platvloers hofleventje was. En we kunnen en mogen zelfs niet zeggen dat het muziekleven in ons land niets voorstelde. Ook in de negentiende eeuw zijn er genoeg namen die het verdienen gehoord te worden. Als de belangrijkste componistennamen misschien aan het vervagen zijn, kijk dan goed als u in de opvolger van de concertzaal Felix Meritis, het Amsterdams Concertgebouw bent, want daar zijn gelukkig de belangrijkste namen van Nederlandse componisten vereeuwigd op de voorzijden van debalkons. Goed dat dit gebeurd is. Zo blijven de namen bij voorbeeld van Fodor, Wilms,Lustig, Zappa en Schwindl in het geheugen van de concertbezoeker gegrift, mede door Simon Murphy en zijn 'The New Dutch Academy Chamber Soloists'. Laten wij als organisten ook ons steentje bijdragen en onze orgelcomponisten niet vergeten door hun werken blijvend onder de aandacht te brengen van de concertbezoekers. Het is toch te gek voor woorden als er straks organisten uit het buitenland in ons land concerten geven met een programmakeuze die ons laat horen dat we klaarblijkelijk nog fraaie Nederlandse orgelmuziek op de planken hebben liggen. |
|
Column:
1 mei 2006
Wat doe je nou zo op een dag. (dagen rond 20 april 2006)
De vraag:
“Wat doe je nou zoal op een doordeweekse dag als organist"
overvalt me nog steeds. Meestal weet ik niet zoveel meer te zeggen dan
het gangbare, “eh, nou gewoon,…”
Een vriend van me die bij de inlichtingendienst werkt legde ik onlangs
ook deze vraag voor. Hij keek me toen enige tijd ook wat onzeker aan en
zei toen plotseling opgelucht: “Nou,… kijk op
vrijdag maar eens naar de televisieserie ‘Spook’,
dáár zie je wat ik doe; alleen gaat het daar tien
keer zo geconcentreerd natuurlijk."
Ik deed dit en het blijkt zeker niet het beroerdste programma. Nu houd
ik niet van detectives, met name niet vanwege het amusementgehalte door
geweld. Ik kijk toch al weinig televisie. Het verbaast me wel eens, dat
geweld en dood in films en televisieseries normaal wordt gevonden Ik
vind, hoe dan ook, films met veel geweld, en vooral het geweld om het
geweld afschuwelijk en tegennatuurlijk.
De tweede dag na Pasen 2006 verliep bij Van Twillert intensief. Het
begon al met eerste Paasdag. Nog nooit in mijn meer dan
vijfentwintigjarig dienstverband als organist van de Johanneskerk waren
er zoveel kerkgangers. Ik houd wel van de sfeer dat er voor de aanvang
in allerijl stoelen moeten worden bijgezet. Dit maakt een feestdag mede
tot hoogtijdag. Ik heb ook geen problemen met het rumoer, ook dat
verhoogt de feestvreugde.
Die tweede dag na Pasen was de belangrijkste taak het schrijven van
mijn afscheidstekst voor de lezers en redactieleden van ‘de
Orgelvriend’ waar ik één van de
redacteuren van ben. Het kost tijd om de juiste woorden te vinden. Ik
had voordien advies gevraagd aan twee van mijn beste vrienden. Zo komt
er na twintig jaar een einde aan mijn bijdragen aan dit blad.
De dramatiek van die dag was nog niet voorbij, zo bleek.
In de ochtend had ik de conservator van het Museum van Speelklok tot
Pierement gemaild. Hij vertelde me, dat het niet toegestaan wordt
filmopnamen voor een DVD te maken. Dit valt wel te begrijpen. Een
interessant museum, maar jammer dat het tentoongestelde maar bij wijze
van uitzondering afgespeeld wordt.
Vervolgens een project met een kamerkoor uit Sint Petersburg afgebeld.
De impresario reageerde teleurgesteld. Logisch, maar zijn
teleurstelling verbaasde me toch, omdat het contact steeds alleen van
mij uit was gegaan. Ook de kerk waar de opnamen zouden plaatsvinden en
Peter Drost, van het audioteam afgebeld. Met Peter Drost werk ik al
vanaf mijn allereerste opnamen in 1975 samen. Geweldig vind ik dat.
Peter Drost is een geboren muziekregisseur. Ook met Wim Stroman, de
filmer van onze DVD’s gesproken; we zijn in de loop der tijd
goede vrienden geworden. Ik acht me gezegend dat dit me mag overkomen.
Meestal maak je vrienden op jongere leeftijd en komen er nadien niet
veel meer bii.
Ondertussen studeer ik aan de passacaglia in d moll van Max Reger.
De eerste dag na Pasen heb ik een bezoek gebracht aan Jean Telder te
Soest, ook een vriend. We spreken elkaar met een zekere regelmaat. Ik
waardeer Jean, omdat hij soms een vraagbaak voor mij is, met name ook
op orgeltechnisch en orgelesthetisch gebied. Soms kunnen we intensief
discussiëren met elkaar. Zo herinner ik me discussies over
pneumatische orgels, waar Jean in eerste instantie niets van moest
hebben. Tegenwoordig oordeelt hij op dit punt genuanceerder.
Over pneumatische orgels gesproken, wat is er veel gepubliceerd over
Reger! Ik merkte dat met name op het internet. Zo wist ik
niet, dat Reger zo van 'op-de-foto-gaan' hield. Na de krantenknipsels
bij elkaar geraapt en opgeborgen te hebben, een klusje waar ik me
altijd toe moet zetten, toog ik weer aan de Reger-studie.
Kranten, week-, maand- en omroepbladen en andere teksten vind ik
belangrijk om te bewaren als ze over een onderwerp gaan dat me
interesseert en waar ik het gevoel bij krijg, dat ik er misschien ooit
iets over zou willen schrijven. Het vergaren en bewaren van dat alles
is tijdrovend. Uit kranten en dergelijke wil ik nog wel eens citeren en
daartoe is een archief onontbeerlijk. Maar de selectie is tijdrovend.
Ik wil in mijn verhalen een mens -van-deze-tijd zijn. Als musicus ben
je veel met het verleden bezig, maar het heden het nu-en-waarom wens ik
niet te verwaarlozen.
Op dit moment ging de telefoon. De huisarts,… We hadden een
aangenaam gesprek.
Dat had ik kort daarvoor ook gehad met mevrouw Koot uit Steenwijk. Dat
gesprek ontroerde me. Ik mag het gesprek doorgeven en doe dit bij deze.
Mevrouw Koot is een vrouw van 72 jaar oud met een aangenaam jeugdige
stem. De menselijke stem veroudert amper, dat is me vaker opgevallen.
Ik kende deze mevrouw niet. Ze vroeg me om aan de administratie van De
Orgelvriend door te geven dat haar man was overleden. Ze klonk
aangeslagen en een beetje zenuwachtig. Ik vertelde haar dat ik dat niet
zo maar kan overnemen en gaf haar het telefoonnummer en later het adres
van de redactie.
Ze vertelde mij onuitgenodigd het verhaal. Haar man, Willem Koot,
organist te Steenwijk wilde na het orgelspelen op de bovenverdieping
van zijn huis met de laptop in de hand naar beneden komen. Hij viel van
de trap en was op slag dood. Op mijn vraag of hij ook in de Grote kerk
te Steenwijk speelde, antwoordde ze: “Soms. Hij speelde vaak
in de kleine kapel, daar hebben ze ook een orgeltje in gezet. Hij kon
mooi begeleiden”, zei zijn weduwe. “Ze zongen man,
de muren stonden bol. We gingen in onze tijd van het verkering hebben
met elkaar naar concerten van Piet van Egmond en Feike Asma. We hebben
het altijd met elkaar naar de zin gehad". Ze was verdrietig en ook uit
haar doen. Ik had met haar te doen, maar niet alleen daarom vroeg ik
verder, haar verhaal interesseerde me en ik wilde haar alle aandacht
geven, want die kon ze wel gebruiken. Ze vertelde: “Mijn man
was administrateur en deed na zijn pensioen vaak administratieve
klusjes voor mensen, gratis. Daarom kwam hij met zijn laptop de trap
af, om gezellig in mijn gezelschap door te werken. En ineens is er niks
meer.” Ze had het over verhuizen. “ Blijf in de
buurt van je kinderen wonen”, reageerde ik. Ze bedankte me,
dat ze haar verhaal bij mij kwijt kon. Ik beloofde haar, dat ik de naam
van haar man zal vermelden boven één van mijn
toekomstige composities als eerbewijs.
Slechts sporadisch draag ik een stuk aan iemand op. De enige
orgelstudent aan wie ik een werk heb opgedragen, was een dag eerder (de
eerste dag na Pasen) voor het laatst bij mij op orgelles verschenen. Na
negen jaar vonden we het welletjes. Afscheid nemen is een beetje
sterven, zo zegt een Frans spreekwoord, maar zo ervoeren we dit beiden
niet, het was goed zo. Dat kan mevrouw Koot helaas niet zeggen. Of toch
wel? Ik hoor haar inderdaad ook zeggen, dat ze ook dankbaar was omdat
ze het samen zo naar hun zin hebben gehad.
Overigens heb ik in februari 2007, en dat is al een tijdje later dan
toen deze column werd geschreven, mijn collega en vriend Reinhard Kluth
, organist te Düsseldorf gemeld dat ik mijn jongste compositie
voor orgel graag aan hem wil opdragen. Hij heeft het met vreugde merkte
ik, geaccepteerd.
Zo, de tekst is klaar, nagekeken door ook een goede vriend. Nu kan de
tekst weg naar de webmaster, ook een vriend geworden. Zou de orgelkunst
gunstig werken op een vriendenkring? Je zou het gaan vermoeden. In
ieder geval weten we van elkaar dat we voor de orgelkunst telkens weer
gaan en dat gemeenschappelijke ideaal zorgt er inderdaad wel voor dat
je elkaar snel begrijpt en aanvoelt en kunt en wilt inspireren. Zonder
deze vrienden was deze column niet geschreven.
Willem van Twillert
Column
30-3-2006
Mentaliteit door twee tips
Niet alleen is een juiste mentaliteit in
de sport een vereiste, maar ook in de muziek en dan vooral bij het
uitvoeren van muziek. Ook als componist moet je door kunnen zetten en
kunnen afzien. Och, bij elke uitoefening van een creatief of sportief
vak is het uiterst belangrijk of het goed zit tussen de oren.
Vastberaden moet je durven zijn. Doen wat je denkt dat moet gebeuren.
Toegewijd tot in het extreme soms, niet overdrijven maar wel onder alle
omstandigheden in jezelf blijven geloven. Je niet laten regeren door
angst want angst is een slechte raadgever. Veel spreekwoorden bevatten
een kern van waarheid.
Succes moet je kunnen afdwingen. Ook de grootste talenten komt succes
niet aanwaaien. Thuis achter je klavieren alleen maar zitten afwachten,
leidt niet tot succes. Hoe meer inzet en toewijding, hoe groter de kans
op succes. Ieder mens kan zijn talenten ontwikkelen.
In de Volkskrant van 18 maart 2006 staat op pagina 46 een interview met
de wielrennen Thomas Dekker getiteld, “Te midden van de
kampioenen”, door Marije Randewijk. Nu zal de lezer zeggen,
“huh,… orgelspelen is toch wat anders dan
wielrennen?’ Maar er zijn veel overeenkomsten zoals in de
eerste woorden uit deze column valt af te leiden. Want al deze zijn
praktisch ook terug te vinden in bovengenoemd interview, zo viel me op.
Toen ik midden jaren zeventig voor de zoveelste keer stijf stond van de
zenuwen voor een tentamen piano, vroeg ik mijn docent Willem Brons of
dat erbij hoorde.
“Dat heb je voor een deel zelf in de hand”, zei
Brons en hij gaf me een twee tips:
-In de eerste plaats: Zorg dat je optimaal voorbereid bent. Als je je
uiterste best hebt gedaan dan mag en moet je uiteindelijk met elk
resultaat onder alle omstandigheden tevreden zijn. Zélfs als
dit resultaat onverhoopt tegenvalt. Er komt altijd een volgende keer.
-Ten tweede, ga voor een acht en niet voor een tien. Wees realistisch,
want er zullen altijd mensen zijn die nog beter zijn dan jij. Hou die
twee raadgevingen - die twee stelregels - altijd in gedachten dan zorg
je er op natuurlijke wijze voor dat je niet bij het eerste-het-beste
foutje al bij de pakken neer gaat zitten. Met die houding vermijd je
het om je eigen frustratie te organiseren.
Indien iemand mij na een concert vraagt of ik tevreden ben, dan zal
mijn antwoord altijd “ja” zijn. Een concert of een
opname voor CD of DVD zonder goede voorbereiding kan ik mij namelijk
van mezelf niet goed voorstellen.
Ook de tweede tip: wees realistisch, ga niet voor een tien heeft bij
mij tot ontspanning (en dus nog meer speelplezier) geleid.
Concentratie op de muziek tijdens het spelen komt ook, omdat ik niet
word afgeleid door technische problemen. Dat is ook een van de redenen
dat ik er nog een paar uurtjes extra studie aan vastknoop teneinde
bijvoorbeeld een noot die op de rechterhandbalk staat, te spelen met de
linkerhand om zo de rechterhand technisch te verlichten. Liever wat
langer doorwerken dan een risico te nemen, hoe klein ook. Dit is
uiteraard slechts een voorbeeld.
Speelplezier leidt overigens niet per definitie tot betere
concentratie. Beter is te beweren dat speelplezier remmingen wegneemt.
En dat is een niet te onderschatten element. Immers, als je geremd bent
in je prestaties, heb je niets aan een fabuleuze techniek.
Wat concentratie betreft: probeer maar eens,… acht seconden
te fixeren op een punt zonder afgeleid te worden. Dus als een optreden
een uur duurt, kun je wat betreft concentratie zelfs spreken van een
onmogelijke opgave. Wanneer het spiergeheugen en de automatische
bewegingen dan niet volkomen zijn geoefend, dan zullen de fouten
vanzelf komen. Dan is een concert geven te vergelijken met een tijdbom
die afgaat.
Probeer om te gaan met je onzekerheid. Simpel door altijd te proberen
om van een nadeel een voordeel te maken. Want stel dat je zeker zou
zijn van het succes, ligt dan niet het gevaar op de loer dat je
zelfvoldaan wordt? Dat je door die zelfvoldane houding minder tot het
uiterste gaat bij de studie? Dat je minder oog en oor hebt voor elk
detail in een compositie? Accepteer dus je onzekerheid en beschouw je
onzekerheid als de ultieme drijfveer achter je vaardigheid, achter je
studie.
Ik herinner me goed mijn eerste concert in de serie stadsorgelconcerten
Grote- of St.Bavokerk te Haarlem. Mail naar
www.haarlemcultuur.nl
of tel 023 5115733 (zie verder ook onder concerten op deze site)
Zoals ik graag werk, ontstonden de registraties aan de speeltafel op
een zo ontspannen mogelijke manier met de assistentie van de ervaren
beroepsregistrante Agnes Hielkema. Naast inspanning en spanning
onderbraker we de repetitie wel eens met geestige opmerkingen; we
maakten dus naast het werk ook plezier. Hoe kan het ook anders bij
zo’n majestueus orgel als het Müller-orgel is in die
imposante ruimte. Tijdens een onderbreking keek Agnes me plotseling
peinzend aan en wat aarzelend vroeg ze: “ Willem, jij bent
toch een leerling van Piet Kee? ”
“Ja”, zei ik. “
Maar,… eh, ben je nu niet zenuwachtig?”
Ik reageerde met: “Nee, misschien een beetje gespannen, dat
wel; hoe zo?”
Agnes vertrouwde met toe dat haar was opgevallen dat soms leerlingen
van Piet in haar beleving en ervaring te Haarlem opvallen omdat ze bij
de eerste keer dat ze te Haarlem komen spelen ze toch nerveus zijn.
Haar viel ook op dat ze haar dan nogal eens vragen of Piet ook naar het
concert komt. Ik zei haar dat ìk geen extra spanning ervoer,
bijvoorbeeld omdat Piet Kee zal komen. Integendeel, ik verheug me op
een weerzien met mijn oudleraar. Ik hoopte dat Piet ook naar mijn
concert zou komen, hetgeen ook het geval was. Na het concert hebben we
nog nog bijzonder genoeglijk nagepraat in de uitspanning het Carillon
(zie ook foto op deze site). Piet Kee heeft, bij mij dus geen extra
aanleiding gegeven tot verhoogde nervositeit. Desalniettemin kan ik me
voorstellen dat er nervositeit voorkomt bij sommige studenten wanneer
hun oudleraar naar een concert komt. Dat kun je misschien zelfs wel
normaal noemen en zeker te Haarlem mag je wel last hebben van een
ietsiepietsie meer nervosteit, gezien de hoge verwachtingen die men er
koestert van de gastorganisten die men uitgenodigt voor de pretentieuze
Haarlemse stads-orgelconcerten. Niets mis mee.
Piet stelt bij zijn studenten hoge eisen aan de betrouwbaarheid van hun
spel. Dat stelde hij ook bij mij in de les wel eens aan de orde; ja
hoor,… één keer zelfs vlak voor een
examen. Die aanpak leverde bij mij toen wel op dat ik opnieuw
gestimuleerd werd om intensief aan de studie te gaan, met als gevolg
dat mijn spel nog meer aan betrouwbaarheid won. Een uitmuntend
resultaat was toen het gevolg. Die pedagogie vermoed ik een beetje
achter de aanpak van Piet Kee. En vind ik daar iets mis mee? Nee,
integendeel:… het was zeker voor de jaren zeventig, waarin
alles maar moest kunnen en veel goedgepraat werd, een briljante methode
van Kee. Als uitvoerend musicus word je zo in ieder geval optimaal
getraind en ja,… soms ook gehard.
Maar zonder de raadgevingen van Willem Brons zou ik er toch minder goed
raad mee hebben geweten en er misschien ook minder ontspannen tegenover
hebben gestaan. De invloed van emoties is groot op je geest en lichaam.
Ga er dus goed mee om. Durf bij elk nieuw werk op je repertoire weer de
weg af te leggen van onzekerheid naar zelfbewustzijn. Weet dat als we
volledig tevreden zijn we hard op weg zijn seniel te worden. Mens zijn
en zeker als je een vak beoefent dat hoge eisen aan je directe
vaardigheden stelt zoals bij een uitvoerend musicus, betekent ook je
eigen en andermans tekortkomingen accepteren. Als je met die houding
een concert geeft betekent dit ook dat je niet uit je concentratie
raakt als bijvoorbeeld je registrant eens een fout maakt, of wanneer
het publiek eens rumoerig is, of wat dan ook…., Onder alle
omstandigheden blijf je in het goede resultaat geloven en doe je
geconcentreerd optimaal je best om dingen die onverhoopt mis gaan in je
voordeel om te zetten. Innerlijke intelligentie noemen we dat ook wel .
De lezer zal het niet verbazen dat ik het sportboek van het jaar 2006
direct heb aangeschaft, (‘Het geheim van Raleigh”,
door Joop Holthausen, Arbeiderspers). Maar die aanschaf heeft ook te
maken met het gegeven dat ik van mooi uitgegeven boeken hou. En dat is
er één.
Wielrennen en orgelspelen hebben in mijn beleving veel met elkaar te
maken. Orgelspelen staat echter bij mij met vlag en wimpel bovenaan
omdat de kunstzinnige en intellectuele bevrediging die ik daaruit haal
vele malen groter is dan het tactische vernuft dat je moet bezitten in
de wielrennerij. Bovendien heb ik voor langdurig fietsen helemaal geen
spierballen.
Of ik van fietsen hou? Eh,…. Nee. Wel van orgelspelen. En u?
Willem van Twillert
Zie ook de reacties van
Christian J. Faddegon en Marco Borkent
Column
26-03-2006
Wat is er mis met orgelwerken voor electro-pneumatische orgels
Edwin Lemare (1865-1934) bewijst het: Helemaal niets!
Er bestaat
een foto van Edwin Lemare aan het orgel in het stadhuis te Sydney. Dat
orgel bestaat gelukkig nog steeds. Er is ook zelfs een website waar de
beroemde contra-trombone 64 voet is te horen: http://www.ohta.org.au
ga naar New South Wales, ga naar Sydney, ga naar Town Hall, onder aan
de webpagina vind je een paar geluidsfragmenten, w.o. de trombone.Met dank aan Joop Schelling die mij deze URL doorgaf. Joop vergeleek het geluid van deze 64 voeter overigens met mitrailleurvuur, het is maar dat men dat weet... Lemare zegt ergens in zijn memoires dat telkens als hij op dit orgel heeft gespeeld hij verkouden is geraakt door de orgelwind van de 64 voet omdat de laagste en dus grootste pijp van de contra-trombone 64 voet recht voor boven de speeltafel is gepositioneerd. Met wapperende haren zit je daar dus als organist klaarblijkelijk te spelen. Met zijn ‘Concert Fantasia’ over de melodie “Hanover”, bij ons bekend
onder de tekst “wat vlied’, of bezwijk’ ” werd de Engels-Amerikaanse
organist Edwin Lemare (1865-1934) beroemd. En met beroemd bedoel ik ook
ècht beroemd. Er is een foto waarop we Lemare zien afgebeeld op een
enorm leeg podium achter een console (speeltafel) in de reusachtige
‘Festival Hall’ te San Francisco (bestaat die zaal nog?). Het orgel
staat achterin. Duizenden mensen in de zaal. Een indrukwekkend gezicht.
Lemare speelde soms wel voor 10.000 mensen, een ongehoord aantal. Net
als de honoraria van Lemare trouwens. Die waren torenhoog (hij verdiende
op een bepaald moment meer dan de burgemeester van de stad, waar hij
organist was). Dit ongehoord hoge salaris heeft aan het eind van zijn
loopbaan nog tot een heuse rel in de orgelwereld van Amerika geleid.
Lemare, zag nadien door de financiële omstandigheden van die tijd (de
crash van Wallstreet in 1929) af van een deel van zijn salaris. Er bleef
overigens nog genoeg voor hem over. Waar lezen we dat momenteel meer?
Maar dat een organist nog ooit eens zo’n salaris….hm…. dat zie ik niet
meer zo gauw gebeuren… |
Sydney, Town Hall: Hill & Son
1886-89 (5/127 tubular-pneumatic/Barker lever)
|
GREAT |
|
SWELL |
|
CHOIR (enclosed) |
|
SOLO (small reeds enclosed) |
|
ECHO (enclosed and non xpressive) | PEDAL |
|
|
|
Contra Bourdon |
32 TC |
Double Open Diapason | 16 |
Contra Dulciana |
16 |
Bourdon |
16 |
Lieblich Gedackt |
8 |
Double Open Diapason Metal |
32 |
|
Double Open Diapason |
16 |
Bourdon | 16 |
Open Diapason |
8 |
Open Diapason |
8 |
Viol d'Amour |
8 |
Double Open Diapason Wood |
32 |
|
Bourdon |
16 |
Open Diapason |
8 |
Hohl Flöte |
8 ^ |
Violin Diapason |
8 |
Unda Maris II |
8 |
Contra Bourdon |
32 |
|
Open Diapason I |
8 + |
Hohl Flöte |
8 ^ |
Lieblich Gedackt |
8 |
Doppel Flöte |
8 |
Viol d'Amour |
4 |
Open Diapason Metal |
16 |
|
Open Diapason II |
8 |
Viola da Gamba |
8 |
Flauto Traverso |
8 |
Flauto Traverso |
8 |
Flageolet |
2 |
Open Diapason Wood |
16 |
|
Open Diapason III |
8 |
Salicional |
8 |
Gamba |
8 |
Stopped Diapason |
8 |
Glockenspiel |
4 Rks |
Bourdon |
16 |
|
Open Diapason IV |
8 |
Dulciana |
8 |
Dulciana |
8 |
Viola |
8 |
Echo Dul. Cornet |
4 Rks |
Violone |
16 |
|
Harmonic Flute |
8 |
Vox Angelica |
8 |
Octave |
4 |
Octave |
4 |
Basset Horn |
8 |
Gamba |
16 |
|
Viola |
8 + |
Octave |
4 |
Violino |
4 |
Harmonic Flute |
4 |
Dulciana |
16 |
||
|
Spitz Flöte |
8 |
Rohr Flöte |
4 ^ |
Celestina |
4 ~ |
Flauto Traverso |
4 |
Quint |
12 |
||
|
Gamba |
8 |
Harmonic Flute |
4 |
Lieblich Flöte |
4 |
Harmonic Piccolo |
2 |
Octave |
8 |
||
|
Hohl Flöte |
8 ^ |
Gemshorn |
4 |
Twelfth |
3 |
Contra Fagotto |
16 |
Prestant |
8 |
||
|
Rohr Flöte |
8 ^ |
Twelfth |
3 |
Fifteenth |
2 |
Harmonic Trumpet |
8 |
Bass Flute |
8 |
||
|
Quint |
6 |
Fifteenth |
2 |
Dulcet |
2 |
Corno di Bassetto |
8 |
Violoncello |
8 |
||
|
Principal |
4 |
Piccolo |
1 * |
Dulciana Mixture |
3 Rks |
Orchestral Oboe |
8 |
Twelfth |
6 |
||
|
Octave |
4 |
Mixture |
4 Rks |
Bassoon |
16 |
Cor Anglais |
8 |
Fifteenth |
4 |
||
|
Gemshorn |
4 |
Furniture |
5 Rks |
Oboe |
8 |
Octave Oboe |
4 |
Mixture |
4 Rks |
||
|
Harmonic Flute |
4 + |
Trombone |
16 |
Clarinet |
8 |
Contra Tuba |
16 |
Mixture |
3 Rks |
||
|
Twelfth |
3 |
Bassoon |
16 ¶ |
Vox Humana |
8 |
Tuba |
8 |
Mixture |
2 Rks |
||
|
Fifteenth |
2 |
Trumpet |
8 |
Octave Oboe |
4 |
Tuba Clarion |
4 |
Contra Trombone |
64 |
||
|
Mixture |
3 Rks |
Cornopean |
8 |
Carillon Bells |
2 |
Contra Posaune |
32 |
||||
|
Cymbel |
4 Rks + |
Horn |
8 |
Posaune |
16 |
||||||
|
Sharp Mixture |
4 Rks |
Oboe |
8 |
Trombone |
16 |
||||||
|
Furniture |
5 Rks + |
Clarion |
4 |
Bassoon |
16 |
||||||
|
Contra Posaune |
16 |
Trumpet |
8 |
||||||||
|
Posaune |
8 |
Clarion |
4 |
||||||||
|
Trumpet |
8 |
||||||||||
| Clarion | 4 |
COUPLERS
Great to Pedal
Swell to Pedal
Choir to Pedal
Solo to Pedal
Swell to Great #
Swell Super Octave [to Great] #
Swell Sub Octave [to Great] #
Solo to Great #
Solo Octave
Choir to Great #
Swell to Choir
Solo to Choir
Echo to Swell
Pedal to Great Pistons
Tremulant to Swell (toe lever)
Tremulant to Choir and Solo (toe lever)
Tubular pneumatic key, stop and
combination action (vacuum for stops).
Mechanical action with pneumatic-lever
assistance for Great and couplers
marked #
Compass 61/30
Pistons (internally adjustable):
3 to Echo
7 to Solo
;8 to Swell
;8 to Great
7 to Choir
6 to Pedal (toe levers)
Balanced swell pedals for Choir, Solo
orchestral reeds and Swell
No. of pipes = ;8,756
Pitch a1 = ;4;40Hz

Foto door Joop Schelling,
Bunschoten
Informatie over het orgel kun je op onderstaande links vinden:
http://www.cityofsydney.nsw.gov.au/Business/VenuesForHire/SydneyTownHall/GrandOrgan.asp
Onder aan dit artikel staat dat het orgel in "excellent state"verkeert
http://sydneyorgan.com/
Bij deze laatste site klik op "Sydney organs" en
daarna op Sydney Town Hall (onder Concert Halls).
Dit is een van de grootste en best
bewaard gebleven pneumatisch orgels ter wereld. Gebouwd door William
Hill and Son in Londen. In 1890 werd het toen grootste orgel ter wereld
met 126 sprekende registers opgeleverd. De vijf manualen en pedaal
werden voor het eerst bespeeld door William Thomas Best die er
aansluitend elf concerten gaf. Het eerste concert trok circa 4000
mensen. Het instrument heeft circa 8,700 pijpen.
Het orgel werd succesvol en gewetensvol gerestaureerd in de jaren
1972-82 door de orgelbouwers Roger H. Pogson te Sydney. De organist is
Robert Ampt.
Column
21-3-2006
Flarden - Gedachten na de DVD opname te Aarle-Rixtel 17 maart 2006
Column Flarden - Gedachten na de DVD
opname te Aarle-Rixtel 17 maart 2006
Die zondagmorgen na de zeventiende maart, toen de DVD-opname te
Aarle-Rixtel plaatsvond, kwamen flarden van die gebeurtenis als
herinnering weer naar boven.
De spanning of er niets vergeten zou worden in de cameravoering, de
regie, het spelen en wat niet al, dat alles moest bij mij nog even een
plek krijgen.
Flarden, goede herinneringen. Wat zijn er weer mooie dingen gebeurd te
Aarle-Rixtel. De beide zoons van organist Euwe de Jong: bariton Elbert
en coutertenor Rienk. Twintig en achttien jaar zijn ze pas, maar wat
een professionals! Schitterend klonk het allemaal in de akoestiek van
de Onze Lieve Vrouwe kerk uit 1849, alsof de ruimte ervoor geschapen
is, en voor een deel is dat ook zo. Om kippenvel van te krijgen. Dat
kreeg ik dus ook!
Het vierhandig orgelspel, samen met Sybolt, was, evenals op de DVD
-Bolsward, weer om te smullen. Ligt het aan het feit dat ze broers
zijn? Dat Euwe en Sybolt zo haarprecies samen kunnen musiceren? Leuk
overigens dat hoewel hun karakters en temperament duidelijk
verschillend zijn, dat niet geldt voor hun manier van muziekmaken.
Euwe voerde zijn Scherzo uit dat hij voor het
‘Anlooër orgelboek’ in 1987 heeft
gecomponeerd. Bij de presentatie van dit Anlooër Orgelboek was
ik - als deelnemer en als betrokkene bij het ontstaan ervan - toen ook
aanwezig. Bij die eerste kennismaking met het orgelspel van Euwe viel
me direct zijn ritmische gedrevenheid en precisie op. Een begenadigde
techniek hebben ze trouwens beiden.
De opnamen behoefden amper over.
Al poolvosjes voerend kwamen er gedachten in flarden naar boven.
Starend keek ik naar de eveneens innig tevreden diertjes die bij ons
achter in de tuin een ren hebben. (Op de DVD-Bolsward III is deze tuin
even te zien in de toelichting, die voor de zeer
geïnteresseerden)
Ja, de herinnering is goed. Gisteren, zaterdagochtend in alle vroegte,
was er bij mij nog even paniek omdat er twee bandjes met beeldopnamen
verwisseld waren. Even dreigde ik zelfs in paniek te raken, maar
gelukkig: er bleek niets aan de hand. Dank zij de nauwgezette wijze van
werken van de opnameleider is dit schier onmogelijk, maar
toch… Tijdens de opnamen moeten allerlei camera- standpunten
worden ingenomen en telkens moet het licht ook weer worden aangepast.
Dat houdt in, dat vijf vaak zeer hete lampen inclusief de snoeren weer
verplaats respectievelijk verlegd moeten worden. Snoeren ontwarren;
zorgen dat er geen zekeringen doorslaan; de beeldregie onthouden, wordt
er voldoende afgewisseld in de cameraposities,zijn er al opnamen en
face gemaakt, enzovoort.
Om negen uur die 17e maart begonnen we. Ook Frans Vermeulen,
orgelbouwer en -stemmer, was er om de stemming van het orgel te
controleren. De stemming van het orgel bleef tijdens de opnamen
correct. Frans was donderdag de gehele dag , samen met de organist van
het Smits-orgel te Aarle-Rixtel, Rob Rassaerts, aan het stemmen
geweest. De verwarming was uitgedaan, omdat deze luchtverwarming herrie
veroorzaakt. Het was die vrijdag bitter koud voor de tijd van het jaar,
maar gelukkig kon er nog gewerkt worden. Muziek verwarmt de zielen
klaarblijkelijk. En we waren er op voorbereid, dus voorzien van
handschoenen, extra vesten ,sjaals en lange sokken.
Met Ruud van de Laar, zoon van Jan, werkte ik voor het eerst. Het was
een genoegen vader en zoon samen te zien en te horen spelen. Ruud is
iemand die met het instrument trompet een eenheid vormt. Gewoon een
uitmuntend speler en zo speelde hij dan ook in een vierdelige sonate
voor trompet en orgel. Ooit maakte Toon Hermans een meesterlijke
imitatie van een violist, een cellist en een trompettist. Toon speelde
toen feilloos de bij het instrument passende mimiek na. De beelden
schoten even door me heen, leuk. Ik herinner me die voorstelling
overigens nog levendig. Als jongen samen met oom Henk, die toen in heb
bedrijf van mijn vader werkte, naar de stadsschouwburg te Utrecht. Een
belevenis en nu een dierbare herinnering. Jan van de Laar speelde als
solowerk het Scherzo van Gigout. Op dit toch wat taai spelende orgel
met de weinige diepgang van de toetsen te Aarle Rixtel vond ik dit een
hele opgave. Maar Jan klaarde de klus op professionele wijze.
Vanaf 19.00 uur was ik aan de beurt. Het ging vlot. Dat moest ook wel,
want een tegenslag was, dat de koster erop stond dat we om negen uur
zouden stoppen. Och, je vergeet wel eens iets. Nee, geen noten, daar is
geen sprake van, maar een registratie pakt anders uit. Enfin men kent
dit wel. De camera bleef trouwens lopen dus er komen straks zeker nog
extra’s als making of-filmpjes op de DVD. Het meeste stond er
na één of twee keer proberen foutloos op.
Registrant Marien Stouten was speciaal vanuit Zeeland komen rijden om
te registreren. Uit voorzorg had hij een elektrisch kacheltje
meegenomen. Uiteindelijk was deze extra verwarming niet nodig. Maar
Marien was vanwege zijn handigheid als registrant, hij heeft aan een
half woord genoeg, zeker nodig gezien de korte tijd die ons toen nog
restten.
In het audio-deel van de opnamen wordt bij onze producties sporadisch
gemonteerd, tenzij het door tijdgebrek eens noodzakelijk is. Dan wordt
er in delen opgenomen, die later aan elkaar worden gemonteerd. Dat
heeft overigens dan ook het voordeel, dat de camera weer een ander
standpunt kan innemen, zodat de beelden zo afwisselend mogelijk
worden.‘Elk nadeel heb zijn voordeel’, zie Cruyff
ooit, zo ook bij DVD-opnamen.
Uiteindelijk zijn de opnamen en face (waarbij de camera voor het
gezicht van de speler wordt gehouden, zodat men de organist min of meer
recht in het gezicht ziet) bij Euwe gerealiseerd.
Improvisatie en aanpassing komt niet alleen bij het orgelspel voor.
Deze vierde DVD bevat overigens geen improvisatie, dus IMPROVISATA als
titel dekt de lading niet. Maar daarin was voorzien. Deel IV zal
LITERATA gaan heten.
Was het al een tegenslag te noemen dat de koster ons vroeger wilde
laten stoppen, toen er bij tijd en wijle steeds een pieptoon uit het
binnenste van het orgel kwam was dat een grote tegenvaller en zeer
hinderlijk bovendien. Eerst dachten we aan doorspraak, maar dat kon het
niet zijn omdat de toon telkens vanzelf in sterkte afnam en vervolgens
verdween. Pas achteraf heb ik kunnen vaststellen, dat het de in het
orgel geplaatste luchtbevochtiger moet zijn geweest, die voor deze
overlast heeft gezorgd. Door het sproeien van waterdamp en de warmte
die daarbij vrijkwam, raakten ook de dichtstbijzijnde tongwerken ietwat
ontstemd. Vooral de Trompet 4 voet had het blijkbaar te verduren, want
die was door twee ontstemde tonen niet meer te gebruiken. Gelukkig had
ik de beide tutti-werken aan het begin van het programma opgenomen dus
viel de stemmingsschade mee. Mocht het ooit weer gebeuren, dan dus
direct de bevochtiger uitschakelen. Je blijft leren en onverwachte
elementen trotseren.
Toen om kwart over negen de koster kwam was het gedaan met opnemen, ik
kreeg de kans niet meer een opname een tweede keer te spelen. Jammer,
maar gelukkig hadden we wel een complete opname van ruim 75 minuten
klaar. Iedereen dus tevreden: de koster kon zijn voorbereidingen voor
de volgende dag doen en wij waren wat eerder thuis. Moe maar voldaan
volgens het cliché.
Zaterdagmiddag direct naar René Kouwen getogen, die heel
idyllisch vlak bij mij woont op het platte- land van Hoogland. Tevoren
had René me al enthousiast gemaild, dat hij er klaar voor
was. Hij had een computergeheugen aangeschaft waarin maar liefst dertig
tapes van 60 minuten geladen kunnen worden. Dus op het moment van het
schrijven van deze column kan direct met het afwerken van de opnamen
worden begonnen, het ontstaan van DVD opus 4. Het resultaat heeft mijn
verwachtingen overtroffen. De inspanning was niet tevergeefs.
Aan zoiets houd je een goed gevoel over. René kan aan de
slag. Ik wens hem sterkte, want de montage is een tientallen uren
durende klus.
Willem van Twillert
Column
8-3-2006
Een goede
techniek, hoe ontwikkel je die?
Een goede speeltechniek ziet er uit alsof een muziekinstrument
bespelen geen enkele moeite kost. De inspanning om die vanzelfsprekende,
natuurlijke techniek te verkrijgen is echter omgekeerd evenredig aan hoe je
speeltechniek eruit ziet.
Een goede techniek is niet aangeboren en komt je niet aanwaaien.
Zeker, er zijn ‘natuurtalenten’ die welhaast op natuurlijke wijze hun instrument
bespelen. Maar als deze natuurtalenten geen methode en visie ontwikkelen om
tijdens het studeren van een compositie ook telkens aandacht te besteden aan de
techniek, dan verzandt uiteindelijk de techniek en ontaardt dit in een
rommeltje.
Het eerste wat opvalt bij een matige speeltechniek zijn overbodige bewegingen.
Het tweede is, dat het spel onder mentale druk veel fouten oplevert. Juist bij
stress sorteert een goede techniek het meeste effect. Immers een goede
speeltechniek helpt fouten te voorkomen, zodat ondanks mentale stress de
techniek trefzeker blijft.
Zo ontwikkel je een goede speeltechniek.
MENTAAL
Mentaal: Ervaar een fout positief, dus als een leermoment.
Een opmerking als “nou, vandaag lukt het helemaal niet, terwijl het gisteren zo
fijn liep" is in wezen dè aansporing om direct aan de studie te gaan. Stop dus
niet op dat moment omdat je vindt dat de vorm vandaag ontbreekt. Je weet
namelijk juist op dàt moment precies wat er fout gaat, dus kun je er het beste
meteen wat aan doen. Dit vereist wel een goede mentaliteit.
Een goede mentaliteit genereert ook ruimte om je concentratie te verhogen.
Wees geduldig in het analyseren en vervolgens het instuderen.
Zie het geheel als een creatief proces dat zich telkens herhaalt en blijf
daarbij fris van geest.
PIEKMOMENT EN OVEREENKOMST TUSSEN MUSICEREN EN TOPSPORT
Werk naar een piekmoment toe zoals ook topsporters doen. In dat verband geef ik
graag een aantal citaten door van Chris Visscher, bijzonder hoogleraar Sport bij
de faculteit Bewegingswetenschappen van de Rijksuniversiteit van Groningen.
Visscher heeft onderzoek gedaan naar overeenkomsten tussen school en sport. Hij
kreeg als universitair hoofddocent de ruimte jonge, geselecteerde sporttalenten
langere tijd te volgen. In de Volkskrant van 27 september 2008 lezen we een
interview van Paul Annema met Chris Visscher. Waar Visscher het over sport heeft
interpreteren we sport we dit als de sport om het bespelen van een instrument
aan te leren. Enkele citaten:
‘Voor sportieve talent geldt dat zij motorische en sportieve vaardigheden
sneller en beter leren dan gemiddeld.’
‘Talenten zijn goed in het stellen van de doelen die ze willen bereiken, en dat
is wat zowel sport als school van je vraagt. Bovendien zijn talenten heel
pro-actief in hun eigen leerproces door goed te plannen, door hun eigen
prestaties en ontwikkeling goed te evalueren. Ze weten heel goed wat ze moeten
doen om hun doel te bereiken.’
‘Een kind dat als talent geldt, maar niet als doel heeft de top te halen, toont
ook niet het gedrag dat erbij hoort om dat doel wel te bereiken. Je kunt niet
zeggen: ik ben talent, de rest gaat vanzelf! Nee, je begint aan een minimaal
tien jaar durend traject. De vraag is; hoe regel ik mijn leven zo dat ik het
doel bereik dat ik wil bereiken.’
‘Uit een onderzoek onder zeer getalenteerde voetballers en hockeyers blijkt dat
de succesvolsten zich onderscheiden van de afvallers op tactisch inzicht en
motivatie. Lang leek op voetbaltalent de wet van de grote getallen toepasbaar:
wie goed was haalde het wel. Maar ook daar zie je een kentering, doordat jonge
voetballers steeds meer moeten investeren en uiteindelijk ook daar strategisch
inzicht een grotere rol gaat spelen.’
BEWUSTE OEFENING BAART KUNST
Een goede techniek om een instrument te bespelen ontwikkel je vooral door
fundamentele studie. Hard werken dus, want je komt er niet als je alleen maar
domweg de muziek op je instrument opnieuw doorspeelt. Je zult je studie bewust
vorm moeten geven. Je steeds afvragen, wat ben ik aan het doen, wat wil ik
studeren en op welke manier. ‘Oefening baart kunst’, zogezegd. Want uiteindelijk
hoop je dat je aangeleerde techniek in combinatie met de kennis van het
bestudeerde werk je er altijd door heen sleept, ook als je eens wat minder in
vorm bent.
Ontwikkel allerlei afwisselende vormen van studie om met succes een compositie
te kunnen vertolken.
De lezer zal het niet verbazen dat ik het Sportboek van het jaar 2006 direct na
verschijnen heb aangeschaft, (‘Het geheim van Raleigh, door Joop Holthausen,
Arbeiderspers). Maar die aanschaf heeft ‘vooral te maken met het gegeven dat ik
van mooi uitgegeven boeken houd en dat is dit boek.
Sport, wielrennen in dit geval en orgelspelen hebben in mijn beleving veel met
elkaar te maken.
Het orgel bespelen (en ook de vleugel) staat echter bij mij met vlag en wimpel
bovenaan omdat de kunstzinnige en intellectuele bevrediging die ik daaruit haal
vele malen groter is dan het tactische vernuft dat je moet bezitten in de
wielrennerij. Bovendien heb ik voor langdurig fietsen helemaal geen spierballen.
Of ik van fietsen hou? Eh,…. Nee. Wel van orgelspelen. En u?
Willem van Twillert
Column
5-3-2006
Hoe komt een programma voor DVD tot stand?
De vraag wordt mij wel gesteld hoe ik tot
een idee kom voor een geluidsproductie. Vooral DVD
programma’s spreken momenteel tot de verbeelding is mijn
ervaring.
Welnu, in de eerste plaats bepaal je uiteraard een instrument.
Vervolgens kies je werken die in de stijl van het geselecteerde orgel
passen, waarbij je let op een veelheid aan afwisseling in de vorm Ook
de omvang van de werken (tijdsduur) en het volume is van belang. Drie
stukken op een plenum of volle werk na elkaar is niet de bedoeling
bijvoorbeeld. Met DVD zijn mooie afwisselende filmbeelden van belang.
Concreet betekent dit dat er op gezette tijden van klavier gewisseld
wordt. Dat maakt het kijken naar orgelspel ook interessant(er).
Heerlijk vind ik het om mijn boekenkast te raadplegen. In de kast is de
orgelmuziek grotendeels gerangschikt op land en tijd; dus de indeling
wijst al de weg. Wanneer ik dan mijn boekenkast op de kop zet, rollen
er zeker ook orgelwerken uit, waarvan ik bijna vergeten was dat ik deze
werken bezit en dat ik deze werken ook bestudeerd heb.
Ik koop veel muziek; ook nu nog. Wanneer ik de recent aangeschafte
muziek doorspeel noteer ik bij direct mijn eerste bevinding. Wanneer
het werk me bijzonder treft begin ik al met de studie ervan.
Vingerzetting noteren en dergelijke. Ik noteer dus zoveel mogelijk. Dat
maakt het selecteren later tot een soepel verlopend gebeuren.
Wanneer ik dan met een groslijst naar het orgel ga om de grove selectie
uit te proberen ervaar ik het als een groot goed dat ik over een ruime
keuze aan muziek kan beschikken.
In de loop van het proces vallen er werken af is de ervaring. Hetzij
doordat bijvoorbeeld de baskant van de trompet toch minder tot de
verbeelding spreekt bij het werk met een ‘Bas de
Trompette’, dan ik gedacht had. Of dat er toch een bepaalde
vorm van eenzijdigheid in de vormen in sluipt . Geen nood dus, want ik
heb meer dan genoeg werken in mijn groslijst staan.
Vervolgens selecteer ik. En ook dan heb ik meer werken dan er
uiteindelijk op de DVD kunnen komen. Geen nood, want na de opname is
het dan des te gemakkelijker kiezen om uiteindelijk de allerbeste en
mooist klinkende en uitgevoerde werken definitief te selecteren. En er
mogen ook composities op de plank belanden. Dat komt vast later voor
een promenadeprogramma of een verzamel programma nog van pas.
Dus ruim in de muziekkeuze zitten betekent voor mij althans ook een
bepaalde rust in de uiteindelijke programmaselectie.
Als een orgel uit bijvoorbeeld 1850 stamt wil dat niet zeggen dat alle
geselecteerde muziek uit pakweg 1800 tot 1900 moet komen.
Integendeel zelfs. Maar meestal betekent dit wel dat er eerder naar
composities gekeken wordt die ver na 1850 gecomponeerd zijn dan ver
vóór 1850. De muziek uit de twintigste eeuw kan
veelal uitstekend klinken op orgels rond 1850. Want wat altijd moet
blijven is de afwisseling in de gespeelde orgelwerken.
Willem van Twillert
Column 25-02-2006
NIEUWSGIERIGHEID IS DÈ EMOTIE BIJ NIEUWE MUZIEK
Op weg van het concert te Doetinchem naar
huis terug (zie column,
Orgelconcerten die je bij blijven… 12 februari,
2006 Catharinakerk, Doetinchem), hoorden we op de autoradio de
‘Serenade for Gustav and Arnold’ van Van Norden.
Hij bleek met dit werk één van de prijswinnaars
te zijn geworden van de Henriëtte Bosmansprijs. Was deze
muziek communicatief, vernieuwend, of eigenlijk meer van hetzelfde wat
je zo vaak hoort: schurende klankformaties. Het komt op mij over alsof
er na de tweede Weense School van Arnold Schönberg, Anton
Webern en anderen, eigenlijk nog niet veel in klankidioom bij
hedendaagse Nederlandse componisten verandert.
Nieuwe Muziek, anno 2007 veelkleurig en afwisselend
Dinsdag 17 april 2007 hoorde ik de herhaling van de Zaterdagmatinee van
afgelopen zaterdag 14 april. Er klonk toen onder meer de
wereldpremière van de Vierde Symfonie van Otto Ketting
gespeeld door het Radio Pilharmonisch Orkest o.l.v. Jaap van Zweden.
Bij het commentaar vermeldde de omroeper dat Ketting, wanneer hij een
thema componeert, dit vaak nog min of meer opzet vanuit de
twaalftoonsreeks, als een soort automatisme. Zo kwam het althans op mij
over. Merkwaardig automatisme. Mijn indruk dat de generatie die is
opgegroeid met seriële muziek het in vele
beoordelingsinstanties (jury’s) nog voor het zeggen heeft
wordt door een dergelijk feitje bevestigd. Ik vind dat jammer voor de
frisheid en veelkleurigheid van het Nieuwe Componeren, maar gelukkig is
er anno 2007 toch ook afwisseling te constateren in het aanbod op de
concertpodia. Nieuwe muziek is in opmars. Het is ondoenlijk ook maar
een begin te maken van een opsomming van componistennamen. Bij het
programmeren van Nieuwe Muziek speelt de Matinee op de Vrije Zaterdag
in het concertgebouw te Amsterdam een belangrijke rol. Neem nu. Als ik
me beperk tot de afgelopen drie weken (ik schrijf deze column op 30
april 2007) dan hoorde ik jl vrijdag op de radio een herhaling van een
concert voor twee harpen van Karl Heinz Stockhausen, niet mijn
favoriete componist, maar dit werk was mooi en veel milder dan ik van
Stockhausen gewend was. Op zaterdag 28 april 2007 ging het Trio
Estatico uitgevoerd door het Osiris Trio van Jan van Vlijmen in
première. Het is de zwanenzang van Van Vlijmen, kort na de
voltooiing in 2004 overleed hij. Ooit was Van Vlijmen een blauwe
maandag directeur van de Regionale Muziekschool Amersfoort maar net op
het moment dat schrijver dezes zich er als verlegen puber mocht melden.
Op donderdag 16 februari 2007 spitste mijn oren om 23:00 uur toen in
het programma ‘Radio 4FM’ een uur lang muziek te
horen was van de Amerikaan Tom Trapp, die in januari een maand in
Nederland te gast was. Trapp componeerde in opdracht van de NPS zijn
compositie ‘From afterlife (with colors)’ en gaf
het werk in tien delen tien titels, waarvan ik alleen de eerste vier
heb kunnen onthouden, maar toen was mijn interesse in het werk ook al
opgedroogd.
1.Reincarnation. 2. The orange sun comes again. 3. Churches. 4.Blue on
the inside. Toen haakte ik als luisteraar af. Aan de uitvoering door
het Metropole Orkest olv Jurjen Hempel lag het overigens niet. Het
bleek een soort cross-over muziek tussen populaire, licht klassieke- en
moderne klassieke muziek te zijn Dit is nu ook weer niet mijn cup of
tea, laat staan mijn bedoeling.. Dus zo’n compositie is niet
aan mij besteed.
Niks totale vernieuwing
Een veel beter werk hoorde ik ergens in de maand december van 2006
tijdens het 52ste ‘Rostrum of Composers’ te Wenen
in 2005, het strijkkwartet had de tweede prijs gekregen.
De naam van de componist bleef me helaas niet bij, zijn muziek wel. Dit
bekroonde kwartetwerk blonk uit in het laten horen van oude technieken
in een persoonlijke stijl. Niks totale vernieuwing maar gewoon goede
muziek fris van de lever, goed in de vorm met virtuoze partijen voor
strijkers zonder allerlei extremen en experimenten. Je kon ook
daadwerkelijk horen dat de musici die het uitvoerden het werk
liefkoosden. Een componist die zichzelf durft te zijn blijkbaar.
Wèg de invloed van de seriële muziek, die niet
toestaat dat er emoties en herkenbaarheid in muziek aanwezig is. Vaak
kunnen componisten hun eigen thema niet eens nazingen. Vraag het hen
bij gelegenheid maar eens, je zou de componisten met zo’n
vraag behoorlijk in het nauw kunnen drijven en in verlegenheid kunnen
brengen.
Ongecompliceerd en toch spannend en origineel
Een ander bewijs dat in de 21ste eeuw de smaak zich verbreedt werd
geleverd door een uitzending op vrijdag 17 februari 2006 om kwart over
vijf in het programma ‘Viertakt’op Radio Vier. Er
werd toen van Merlijn Twaalfhoven de compositie
‘Ontmoeting’ uitgezonden. Ik was op slag geboeid.
Hier hoorde ik wat ik graag horen wil. Ongecompliceerd maar spannend
muziek maken en toch origineel en boeiend blijven zonder
dogma’s.
Diezelfde dag om 19.15 werd in Amsterdam een uitvoering gegeven van
zijn symfonie ‘voor iedereen’ door een
gelegenheidsorkest onder leiding van Jurjen Hempel zo hoorde ik in de
afkondiging. Van die Twaalfhoven wil ik graag meer horen…
Goed dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan jonge
componisten. Een van mijn favoriete boeken over muziek is
“Niet bij Bach alleen - Rangen en standen in de klassieke
muziek’, door Martin Kaaij, uitgeverij Contact te Amsterdam
2005. Een eigenzinnig, goed geschreven boek voor iedereen die zich soms
afvraagt waarom juist deze muziek zo beroemd is. Graag zou ik er uit
willen citeren maar doe het toch maar niet omdat anders er weer een
nieuw element in deze column te berde wordt gebracht en dat hoort niet.
Maar lees en herlees dit boek, er zal een wereld voor u open gaan.
Geen dogma’s meer svp
Kan de weg vrijgemaakt worden voor verdere ontplooiing van moderne
muziek, zonder dogma’s van een oudere generatie, die de
subsidielakens uitdeelt? Dat kan naar mijn idee alleen als elke
componist zichzelf durft te zijn en werk creëert dat uitgaat
van eisen die hijzelf stelt en zich niet de wet laat voorschrijven van
de generatie die hem of haar heeft opgeleid. Heerlijk om te onderwijzen
trouwens, die seriële technieken. Je husselt de twaalf tonen
van het octaaf door elkaar en je hebt een thema en dan maar componeren!
Het enige creatieve dat in wezen over blijft is het ritme. Maar ja, met
ritme loopt men in de popmuziek al decennia voor ten opzichte van de
klassieke muziek, dus daar is ook niet veel eer meer te behalen kan men
stellen. Naar mijn mening is het element dat seriële muziek
gemakkelijk in een schema is onder te brengen en dus gemakkelijk is te
doceren, nog weinig belicht in publicaties.
De voorliefde voor atonale muziek bij allerlei jury’s en ook
bij recensenten niet te vergeten, valt gemakkelijk vast te stellen. Zo
ook bij de jury voor de Henriëtte Bosmansprijs. Zal de jury
van het Haarlemse Orgelimprovisatieconcours in 2008 bijvoorbeeld zich
ook (weer) laten leiden door de vastgeroeste idealen uit het
(post-)seriële tijd met haar vele echo’s van de
geniale nestor van deze vergissing, Arnold Schönberg? Het valt
te vrezen van wel. Maar wie weet…. Laten we onze
nieuwsgierigheid blijven koesteren. Immers, nieuwsgierigheid is
uiteindelijk dè emotie om nieuwe muziek op juiste waarde te
schatten.
Willem van Twillert
Column 15-02-2006
Orgelconcerten die je bij blijven. (12 februari, Catharinakerk,
Doetinchem)
Er zijn
van die orgelconcerten die je bij blijven. Er gebeurt iets wat
blijvende indruk maakt. Soms heb je zelfs vooraf al het gevoel dat een
concert iets bijzonders zou kunnen brengen.Dat gevoel had ik op 12
februari 2006.
De Utrechtse componist Ad Wammes mailde mij een paar weken geleden, dat
maar liefst vier van zijn werken (waarvan twee als première)
op 12 februari om drie uur 's middags zouden worden uitgevoerd in de
Catharinakerk te Doetinchem.
Ik ken Ad Wammes van zijn compositie 'Miroir'. Een werk dat in
1989 door Arjen Sleurink via zijn Utrechtse muzieknotatiebedrijf
PARTITURA werd uitgegeven. Ik kreeg het toen van Arjen cadeau.
Enkele weken geleden was ik bij Ad thuis om nog eens aspecten
van mijn compositie, ‘Toccata à la
chaconne’ door te spreken. Ik vond het fijn en collegiaal dat
Ad zijn licht over dit werk wilde laten schijnen. “Componeer
wat je mooi vindt, Willem” was zijn belangrijkste conclusie.
Een open deur zo’n opmerking, ben je geneigd te zeggen, maar
niets was voor mij minder waar. Want het geeft een richting aan die ik
ook zo ervaar. En wanneer een collega die richting bevestigt is dat een
belangrijk gegeven…
Hoe dan ook, op 12 februari waren mijn vrouw, Antoinette en ik op weg
naar Doetinchem.
We maken op zondagmiddagen soms graag een autoritje. Zo maar, om van
mooie landstreken en buurten te genieten en daarbij genoeglijk te
praten over van alles en nog wat. Soms eens uit te stappen om
iets beter te bekijken. Geveltoerisme en landschaptoerisme,
vaak vlak bij ons lieve Amersfoort om de hoek. Nederland is prachtig,
het buitenland is ver en dat verre hoeft voor mij niet zo.
Wandelen kan ook, of fietsen, maar van beiden ben ik niet
zo’n liefhebber; wèl van zwemmen in natuurwater
natuurlijk. Maar ja, daar is de winter niet het geëigende
jaargetijde voor. OK, schaatsen vind ik ook fantastisch…
De nodige lichaamsbeweging doe ik graag op bij het
orgelspelen. En reken maar dat orgelspelen hetzelfde effect heeft als
joggen of het maken van lange wandelingen. En als ik nog meer
lichaamsbeweging nodig heb dan ga ik liever de badkamertegeltjes
reinigen of stofzuigen (ja,... ook het plafond, grondig... en alle
hoekjes zuigen tegen spinraggen... en de trap). Dan heb ik het water
óók op mijn rug staan en tegelijk nog iets
praktisch en nuttigs gedaan. Het hoofd is dan weer een tijdje
vrij van huishoudelijke plichten. Er is weer ruimte voor geconcentreerd
muziekmaken…
We naderden de Catharinakerk in het centrum van Doetinchem.
“Het lijkt wel of hier bommen zijn gevallen”, was
mijn eerste commentaar. We waren vroeg en Antoinette suggereerde om nog
even iets warms te drinken. Net voor drieën schoven we op twee
vrije stoelen op de één-na-voorste rij. Alles
bezet op de voorste rij (vreemd) na, en dat voor een concert met alleen
maar nieuwe muziek!
De Catharinakerk werd vrij snel na de tweede oorlog gerestaureerd. Nou
ja, gerestaureerd…. het enige wat na het bombardement in
maart 1945 van deze kerk restte was de haan van de kerktoren, die nu in
het portaal staat. Dus het is meer een reconstructie geworden vermoed
ik. De tegeltjes aan de onderzijde van de pilaren vallen nogal op. Nog
nooit gezien. Origineel? Ik denk het niet; wel praktisch als je de
vloer dweilt; maar mooi…?
Het orgel leverde Flentrop in 1952. De klank is een beetje zacht en
ingehouden en dat is voor de neobarokke periode (waar orgels hard
klonken met zo weinig mogelijk registers) wel curieus. Aan het niveau
van de Deense orgelmaker Marcussen (met als topwerk het orgel in de
Nicolaikerk te Utrecht uit 1956) kon Flentrop toen nog niet
helemaal tippen, blijkt. Maar toch,…voor die tijd is dit
Doetinchemse orgel een aardig instrument.
De organist van de Catharinakerk, Roel Smit hield een gloedvolle
inleiding op het concert met een enthousiasme die me aanstond.
Het programma omvatte van Ad Wammes
‘Mytò’(1981),
‘Miroir’ (1989), ‘On y danse’
(2004) en ‘Blow, horn, blow’ (2005).
Het werd een spannend en inspirerend concert; de tien euro meer dan
waard en voor die prijs werd je ook nog een consumptie aangeboden. Toen
ik Roel bij de borrel feliciteerde zei ik hem dat ik hoop dat ik op
zestigjarige leeftijd ook die gedrevenheid van hem hoop te bezitten. Op
mijn opmerking dat ik van Ad had vernomen dat hij voor zijn
voorbereiding vele ochtenden al om zeven uur aan de slag ging,
reageerde Roel met: “Zeven uur, zeg maar rustig zes
uur”. Zijn dochter naast hem knikte instemmend. Kijk, dat
steelt mijn hart.
Van Jan Welmers was het ‘Laudate Dominum’
geprogrammeerd. Een werk waar ik overigens nu zo langzamerhand wel op
uitgeluisterd raak. Prachtig begin,… zeker, maar het gaat
naar mijn smaak te lang in hetzelfde stramien door en zodoende laat
Welmers vooral harmonisch in dit werk kansen aan zich voorbij gaan,
vind ik.
Van Ad Wammes gingen maar liefst twee werken in première:
‘On y danse’ uit 2004, voor Trompet en Orgel.
De trompetpartij is bij tijd en wijle opvallend
laag. Het klapstuk van de middag was: ‘Blow horn,
blow’ voor Koperkwintet en Orgel. Een prachtig stuk! Ik zal
me in deze column niet uitputten in analyses.
Dat gebeurt in het fraai vormgegeven programmaboekje overigens wel,
waarin een hele rij sponsoren wordt opgesomd. Knap georganiseerd
allemaal daar in Doetinchem.
Wie werk van Ad Wammes kent weet dat hij een communicatief
componist is. Zijn werk is toegankelijk maar vaak ook integer en
diepzinnig. Een combinatie die ik lief heb. Geen l’art pour
l‘art-houding van de componist. Geen componist die zich bij
voorbaat al verschanst in zijn ivoren toren en bij wie reacties van het
publiek als een natte deken langs glijden. Een houding die we maar al
te vaak tegenkomen bij Nederlandse en buitenlandse componisten.
In het tweede deel van Blow, horn, blow’ , vind ik dat Ad de
grens de grens van het wat platte amusement even opzocht in zijn
muziek, maar het kon nèt en dat gaf ook wel een mooi
spanningsveld. Ad bleek niet onder de indruk van mijn mening:
“dat zijn mijn roots uit de popmuziek, Willem”, zei
hij.
Hoe dan ook, …het kan dus… toegankelijke muziek
schrijven die toch interessant blijft.
Willem van Twillert
Column
16-11-2005
Geïmproviseerde
orgelmuziek bij zwijgende film
Vorige week
zondag 9 oktober 2005, tijdens het festival VOOR DE WIND hebben de Van
Twillerts (Pa, Ma en zoon Lodewic) de beroemde stomme film "Steamboat
Bill Jr." gezien met Buster Keaton. De film werd muzikaal ondersteund
met FANTASTISCHE improvisaties door Gijs van Schoonhoven op het
Pels-orgel in de Pieterskerk met een voor dat doel zeer geschikte
chamade. Nogmaals schitterend zowel de muziek als de film. Het is mijn
gewoonte om collega's altijd even op te zoeken. Gijs was nog bezig bij
de speeltafel maar toen ik hem sprak was hij opgetogen . Hij straalde
nog steeds het enthousiasme uit dat zijn improvisatie zojuist ook
kenmerkte. Goed te zien was dat Gijs nog steeds geïnspireerd
is door het fenomeen orgel. Zo hoort het natuurlijk ook. Hij was ook
enthousiast over het orgel. In dit genre klinkt het prachtig. Ja, dat
wel....
Nogmaals mijn grote respect om een uur lang de ruimte vol te spelen en
zo perfect de film te onderstrepen en van muzikaal commentaar te
voorzien, compleet met een Leitmotiv wanneer de twee geliefden elkaar
zagen of ontmoetten. Gijs liet dan een parafrase op de bruidsmuziek van
Mendelssohn horen; telkens weer anders. Uiteindelijk verging het mij
tijdens het kijken naar de film zo dat ik het heel gewoon vond dat deze
muziek zo klonk. Maar als je je dan realiseert dat deze muziek wel even
stante pede werd geïmproviseerd is dat toch een dimensie
extra. En gaat mijn hoed diep af voor het gebodene. Overigens zeer
authentiek allemaal, want zo ging het bij deze films zonder geluid
vroeger ook daadwerkelijk toe. Zwijgende films werden met orgelspel
opgeluisterd. De orgels waren zelfs uitgerust met allerlei toeters en
bellen en claxons. Die waren overigens soms ook te horen op de negende
oktober 2005 in de Pieterskerk op het Pelsorgel.
Deze zwijgende zwartwit-film stamt uit 1928.
De orgelkunst was dus springlevend die zondagmiddag en -avond de
negende oktober 2005 te Utrecht.
Vervolgens nog de tweede helft bezocht van een Cesar Franck-programma
in de Dom met organist Louis Robillard en danseres Pé
Vermeersch met de titel: "Het orgelt in mijn lijf!". Robillard speelde
met speels gemak prachtig met een opmerkelijk fraai legato en rubato,
mooie registraties, boeiende tempi. Ik stond achter in het koor en bij
toeval nam Louis Robillard daar het applaus in ontvangst.
Robillard stond daar nadien een tijdje alleen en zodoende kreeg ik de
behoefte hem mijn complimenten voor zijn concert te maken. Er ontstond
even een gesprek waarin hij inging op mijn vraag hoe hij de aanslag
(berucht vanwege de grote diepgang van de toetsen) vond van dit
Bätz-orgel. Hij zei dat hij moeite had met de grote diepgang
van de toetsen en het akoestische effect, maar hij zei het met
glanzende ogen. Hij vond het een mooi spektakel zo te zien.
De Dom zat geheel vol; men stond zelfs. De Pieterskerk was voor
ongeveer de helft gevuld. Op grond van bovenstaande indrukken en het
bezoek denk ik dat het festival aan zijn doel heeft beantwoordt. De
concerten waren allemaal gratis toegankelijk..
Zeer hoog niveau, goed verzorgt en misschien wel een overvol programma.
Je kon niet alles meemaken omdat programma's elkaar overlapten.
Anderzijds werden ook bepaalde onderdelen twee maal uitgevoerd. Met een
goede planning en een dosis uithoudingsvermogen zou je misschien meer
onderdelen kunnen bezoeken!
Voor mij had het ook over twee dagen of perioden (een half jaar later?)
uitgesmeerd mogen worden, maar goed, dat zal organisatorisch wel lastig
zijn. De dans vond ik tenslotte bij de muziek van C. Franck overbodig.
Veel mensen zaten met gesloten ogen te luisteren om niet afgeleid te
worden. Ook de fraaie belichting droeg bij, aan de sfeer. Maar
ja,… als er mensen zijn die voor het orgel komen dan zijn
extra’s, hoe fraai ook, in wezen niet nodig. Immers, bij een
mooi orgel in een fraaie kerk,… dan blijft er voor
orgelliefhebbers nog maar weinig te wensen over.
Willem van Twillert
COLUMN
8-11-2005
“Over live musiceren en meer”
Organisten
voeren uiteraard ook collegiale gesprekken over het vak met
collega’s over bv. orgels en organisten.
In deze column een weergave van zo’n spontaan gevoerd,
collegiaal telefoongesprek. Het ging over orgelspelen in het algemeen
en het verschil tussen concerteren voor de microfoon (voor CD of radio)
en het levend musiceren in het bijzonder.
Of deze beschouwing overigens “voldoende” vakmatig
niveau” zal bezitten? Daar kan ik niet zo bezorgd over zijn.
Uiteraard dient een column ergens over te gaan in onze soms deftige en
soms hoog van de toren blazende vaktijdschrift(en). Vaktijdschriften
horen soms deftig, en soms hoog van de toren te blazen en columns horen
soms over niks te gaan om toch allesduidend te kunnen zijn.
Bij live-musiceren kun je soms tevreden zijn wanneer het lukt om je
gevoelens spontaan te uiten. Je verleent aan belangrijke noten (te vaak
soms) wel eens heftiger agogische accenten dan je je had voorgenomen,
je tempokeuze is goed en het contact met het orgel ook. Op
zo’n moment heb je als speler het gevoel dat je de spanning
samen met het publiek letterlijk aan den lijve ondergaat. Een heerlijk
gevoel van flow trekt door je heen; technisch ervaar je als uitvoerder
geen enkel probleem; alles loopt lekker. Je drukt je muzikaal uit zoals
je dat wenst en je ervaart het concert als uitstekend.
Bij het musiceren voor de microfoon streef je met name naar een uiterst
afgewogen interpretatie. Niet te veel overdrijving in de accentuering
en agogiek, maar ook geen te zakelijk spel. Je doet een track nog eens
over; kortom het musiceren is dan soms verre van spontaan.
Wat is de gemeenschappelijke ervaring met de collega aan de andere kant
van de telefoonlijn?
We prefereren in het gesprek beiden uiteindelijk een afgewogen
evenwichtige interpretatie, die soms pas tot stand komt na het
afluisteren van de eerste opname. Immers de spontaniteit van
zo’n eerste opname kan bij herhaaldelijk beluisteren ook gaan
vervelen, ja erger nog, gaan irriteren zelfs.
Maar aan de andere kant kan een evenwichtige, afgewogen interpretatie
pas tot stand komen wanneer je het werk tenminste een paar keer op een
concert hebt uitgevoerd. We herkenden duidelijk die ervaring. Dat maakt
zo’n gesprek bijzonder waardevol.
Bij het spelen voor publiek is het een voorwaarde uitermate levendig en
boeiend, ja soms zelfs wat overdreven te spelen om de aandacht van het
publiek te vangen en het publiek te blijven boeien door een zo spannend
mogelijke muzikaal betoog te houden. Bij een concert zal de
interpretatie dus zwaardere agogische accenten krijgen dan bij een
CD-opname is mijn opvatting. Wanneer je die concert-interpretatie
daarentegen ook zou handhaven bij een CD-opname, dan ligt het gevaar op
de loer dat diezelfde spontaniteit vanwege het vaker luisteren afkalft
en uiteindelijk zelfs zou kunnen gaan vervelen.
Kortom de benadering van een concert en een CD-opname is een geheel
andere.
In het telefoongesprek is het dan ook interessant om bepaalde elementen
duidelijk als gemeenschappelijk te ervaren. Dat maakt dergelijke
gesprekken in het toch solistische individuele leven van een
toonkunstenaar waardevol.
Het gesprek ging verder en we spraken ook over onze studie en onze
opleiders.
Zo leeft bij ons de indruk dat de generatie organisten rond het
geboortejaar 1930 toch wel iets anders functioneert qua decorum dan de
jongere generatie. Die jongere generatie beseft meer dat het
tegenwoordig een kennis- en netwerkmaatschappij is. Er is geen plaats
meer voor mannetjesmakerij en ijdeltuiterij. Niet dat dit anno nu niet
zal voorkomen; we zijn tenslotte feilbare mensen. Maar ik denk, dat het
bewustzijn groot is dat we elkaar allen als collega’s nodig
hebben. Gaat het met de ene collega beter met zijn loopbaan dan straalt
dat vaak ook af op de ander. Goede vakmatige contacten zijn in deze
kennis- en netwerkmaatschappij onontbeerlijk. Een sterk op zichzelf
gerichte houding treft men anno nu toch in het algemeen minder vaak aan
dan bijvoorbeeld de tijd voor de Parijse studentenopstand van 1968 om
het maar 'kort door de bocht' te formuleren. Als illustratie van de
houding uit de periode van voor 1968 DE volgende anekdote:
Een befaamde organist maakte eens een opname. Een jonge organist (nog
in zijn studietijd) fungeert als registrant. Het begin van de opname
verloopt moeizaam; fouten en vaak over doen, etcetera. De beroemde
organist stopt er mee en gaat eens wandelen in de kerk. Daarna verloopt
de opname beter. De registrant die erg meeleeft is opgelucht en
verstout zich om op te merken dat de organist nu echt aan het orgel is
gewend raakt. De reactie is dan treffend: “nee, nee, het
orgel
went aan mij.”
Willem van Twillert
Column
22-08-2005
Hoe noteer ik mijn muziek?
Op uitnodiging van
geïnteresseerden werkte ik voor de internet-discussielijst
ORGEL-FORUM de volgende tekst uit, die ik nu graag als column op mijn
website plaats.
De vraag was hoe ik mijn muziek noteer, doe ik dat met de hand of
gebruik ik een computerprogramma?
Welnu:
Ik werk soms met het computerprogramma SIBELIUS wanneer ik een
gecompliceerder werk wil componeren, maar dat komt niet veel voor en
voor mij blijft het een uitzondering
In Sibelius is het eenvoudig wijzigingen aan te brengen. Ik componeer
vanachter mijn huispijporgel en via een paar stappen ben ik bij mijn
computer en noteer ik van ik zojuist heb bedacht. Dat werkt prima!
Maar als ik mijn 'gewone' toch tamelijk eenvoudige koraalbewerkingen
maak, dan doe ik dat direct achter het orgel. Ik improviseer en probeer
het te onthouden. Vervolgens noteer ik het de eerste keer snel en
schetsmatig met een zacht (2B) potlood op een muziekblad op de
lessenaar. Ik gebruik een luxe, gemakkelijk in de hand liggende
automatisch vulpotlood, met een rubberhandgreepje en een gum ligt
uiteraard onder handbereik.
Ik werk niet in huiskamer of keuken, maar doe het meeste achter de
klavieren. Als ik wat langer ga schrijven gebruik ik de orgelbank als
bureau, wil ik dan horen hoe het klinkt dan kan ik gemakkelijk snel bij
de klavieren.
Het zijn altijd gedeelten omdat ik intensief aan de details werk. Moet
werken. Ik ben geen componist die het in een keer allemaal definitief
kan noteren. Integendeel, na de uiteindelijke definitieve notatie komt
het spelen en nog eens doorspelen. Het werk laat ik meestal ook een
tijd liggen zodat het kan rijpen. Vervolgens weer spelen. Telkens
vallen me dan weer zaken op die nog net iets beter kunnen en zo komt na
vele malen intensief schaven het uiteindelijke werk naar voren. Het
noteren is daarbij in wezen slechts een onderdeel.
Recent noteer ik via SIBELIUS en dat is een hele verlichting. Het
bracht echter weer andere oorzaken en gevolg met zich mee. Vooral de
complexe werken vanaf 2006 zou ik niet gemakkelijke kunnen noteren in
handschrift.
Ik heb wel eens de gedachte gelezen, dat ik vanwege het gegeven dat ik
mijn werk bij voorkeur niet nog eens in het net schrijf, het met de
detaillering van mijn werk wel niet zo nauw zal nemen.
Ik weet dat het tegendeel waar is. Ik trek alle benodigde tijd uit voor
detaillering en afwerking. Men denkt toch niet dat ik alle noten, waar
ik lang over heb nagedacht, dat me veel tijd kost in allerhande
beslissingen, zomaar op het papier krijg? Men denkt toch niet dat ik
dan een loopje zou nemen met de afwerking? Kom nou.
De afwerking is op zichzelf veel meer een rationeel en geen creatief
proces. Dus daar neem ik alle tijd. Alleen de indiening van het
manuscript is bij mij nog een doorgeefstation. Daarná gaat
het productie-proces weer verder bij mij uiteraard.
Óók het rijpingsproces! Want voor al die keuzes
is tijd nodig. Veel tijd. Soms moet je je werk weer van afstand bezien.
De laatste keer dat ik opnam, dat was te Bolsward, heb ik vers van de
lever geïmproviseerd. Ik doe dat niet zo heel vaak. Meestal
denk ik er van te voren het liefst over na. Het is deze keer te
Bolsward in ieder geval reuze bevallen. Ik heb (misschien wel een
beetje tot mijn eigen verbazing zou ik haast zeggen) onder druk van
camera's en tijdgebrek en onder druk dat er een paar uitstekende
improvisatie-collega's rondliepen (onder andere Sietze de Vries, geloof
ik) die op hun beurt voor opname wachtten, een improvisatie afgeleverd,
die ik zo op papier zou willen zetten. Dat op papier zetten komt
misschien nog wel, maar vooralsnog zal ik dat niet doen. Eerst op DVD
uitbrengen. Leuk.
Ik heb de meest recente periode (8-20 augustus 2005) een werk (Scherzo
over psalm 38) dat ik wilde invoeren in SIBELIUS. Ik ben er na een
tijdje mee gestopt. Het duurde me te lang en ik vond het saai en
vervelend om te doen. Heb het toen toch bij het geschrevene met potlood
gelaten. Heb vervolgens met cirkels in mijn schetsen aangegeven wat
goed is en met cijfers erbij of grote pijlen aangegeven hoe het
verloopt. Degene die het nu invoert vindt dat een interessante klus om
uit te zoeken. Maar ik kan je verzekeren dat het niet zo maar overnemen
is. Het is puzzelen. Vervolgens krijg ik dan een uitdraai en ik werk er
verder aan. Maar meestal zitten er maar weinig fouten in. Soms laat de
graveur een paar maten open die ik dan later invul, maar dan is er nog
een weg te gaan hoor.
Een enkele computernoteur (vroeger graveurs geheten) klaagde vroeger
wel eens. Ik reageerde dan met: "Ja jongen, wanneer jullie het van me
in het net willen hebben, kan ik het net zo goed zelf gaan invoeren."
Er is wel eens een jaar of zes geleden een graveur geweest die de
handdoek in de ring heeft gegooid, maar in het algemeen werkt het goed.
Deze week ook een Voluntary geschreven over LvdK 474 voor twee
solostemmen. Ik improviseerde dat tijdens een kerkdienst en heb het een
week later geprobeerd het te herhalen. Er kwam een geheel andere versie
uit denk ik, maar vervolgens heb ik het geheel voor mijn doen vrij snel
opgeschreven. De eerste pagina duurde het langst en kostte een aantal
pagina's. Daarna schreef ik de andere twee pagina's in een paar uur op.
Voor mijn doen is dat snel.
Willem van Twillert"
Column
01-03-2005
Zelfbewustheid en zelfvertrouwen bij orgelspel
Het beheersen
van een kunstvorm of ambacht vergt, naast talent, ook oefening en
toewijding. Naast een zelf-kritische instelling voor een optimaal
resultaat is nog een eigenschap van belang, namelijk: zelfvertrouwen.
Enerzijds is daar het bewustzijn van de discipline die men moet
opbrengen om moeilijkheden die men ontmoet als organist, met succes te
overwinnen, alvorens men een goed concert, een goede bespeling tijdens
een kerkdienst kan realiseren. Tevens behoort er ook het rustgevende
zelfvertrouwen aanwezig te zijn. Bij het musiceren komt er nog een
specifiek facet bij, dat alles te maken heeft met het feit dat er
tijdens de uitvoering geen herkansing is. De impulsen moeten bij een
concert in één keer de pezen en spieren de goede
handelingen laten verrichten. Hoe krijgt een musicus dit mentaal voor
elkaar?
Als eerste een gedegen voorbereiding en als tweede een zelfkritische,
maar ook zelfbewuste houding. Tijdens en vlak voor een concert moet een
mentale houding gevonden worden, die het bevordert om optimaal en met
plezier te presteren en musiceren. Daarvoor zijn, mijns inziens, twee
voorwaarden van belang.
In de eerste plaats: plezier hebben in het musiceren. Dat plezier kun
je ervaren wanneer je probeert de volgende twee elementen toe te passen:
Niet beter willen presteren dan je (op dat moment) kunt.
Na afloop van een openbare bespeling, mits optimaal voorbereid, altijd (!) tevreden zijn (ook al zou het resultaat wellicht minder zijn dan tijdens de repetitie(s)). Je hebt immers alles gedaan voor deze bespeling?
Ben je dan
toch ontevreden, dan leg je een dermate grote druk op jezelf voor de
volgende bespeling, dat dit je in de toekomst kan gaan opbreken. Je
zelfbewustheid breek je dan af. En hiermee kom ik op de tweede
voorwaarde, namelijk het onderkennen en accepteren van je beperkingen.
De beste en meest rustgevende houding is: accepteren dat je je grens
voor deze keer bereikt hebt; accepteren dat er altijd wel een organist
(nog) beter speelt dan jij; accepteren dat je tevreden moet zijn met
het resultaat. Je hebt er toch je beste best voor gedaan? Meer zit er,
tenminste voor dit moment, niet in. Is er een ander die het dan toch
beter kan? Wel, het zij hem of haar gegund. Deze houding geeft rust en
legt de basis voor verdere uitbouw van je mogelijkheden. Het zorgt ook
voor zelfvertrouwen en zelfbewustzijn en blijvend plezier in het
musiceren. Plezier is tijdens het musiceren, naast uiteraard de
vereiste speeltechnische en muzikale kwaliteiten, het belangrijkst.
Misschien is speelplezier uiteindelijk wel het allerbelangrijkst.
Column
19-01-2005
Diversiteit
in stijl nootzaak
Er verschijnt veel nieuwe orgelmuziek in
een stilistische oude jas.
Dat fenomeen beziet menigeen met kritiek. Nieuwe orgelmuziek in oude
stijl krijgt vanuit de organistenvakwereld vaak niet de (h)erkenning
die het naar de mening van ondergetekende verdient.
Vele vakorganisten vinden het geen goede zaak voor de orgelkunst dat er
zoiets gedaan wordt als het improviseren en/of publiceren in oude
stijl. De orgelkunst is volgens hen alleen maar gebaat bij het steeds
weer zoeken naar nieuwe wegen. Dat die wegen er uiteindelijk alleen na
veel zoeken, wikken en wegen in de grond van de zaak in de kerkmuziek
er niet zijn of alleen zijn weggelegd voor de zeer oorspronkelijke
geest ontgaat klaarblijkelijk deze groep.
Zeker. Ik acht het zoeken naar nieuwe expressiemogelijkheden voor
orgelliteratuur een lofwaardig streven, en zeker dit streven behoort er
te zijn. Maar men dient een scheiding te maken tussen strikt profane
nieuwe orgelmuziek en religieuze en/of liturgische orgelliteratuur. In
de laatste groep is een avant-gardistisch houding in wezen niet
overeenkomstig de aard en het gebruik van de orgelmuziek.
Komt bij dat men voor het bijwonen van een kerkdienst of viering
doorgaans geen kaarten bestelt en/of koopt. Men komt bij een kerkdienst
voor meer dan alleen de muziek. Men krijgt ook via pers of
voorbeschouwing, geen programma vooraf van de keuze van de muziek. Als
je een kerkdienst of viering gaat bijwonen vertrouwt men er gewoon op
dat de muziek tenminste voor een groot deel overeenkomt met de
verwachting. Dus zal de organist zich in zijn keuze van liturgische
muziek of zijn idioom met het improviseren, naar mijn opvatting zich
dit altijd bewust moeten zijn en zich dientengevolge ook bijna
(uitzonderingen moeten kunnen) altijd "dienstbaar" opstellen . De stijl
van de kerkmuziek zal dus altijd zoals dat in de popmuziek heet 'middle
of the road music' of main stream music'' moeten zijn en daar is niets
mis mee. Er is keuze genoeg en kwaliteit genoeg.
Organisten die in staat zijn in diverse stijlen te componeren en/of te
improviseren zoals bijvoorbeeld op de DVD opgenomen te Kampen (zie
elders op deze site) krijgen gelukkig de erkenning die hen toekomt.
En dat is een goede zaak.
Column
15-01-2005
Omgaan met gedrukte muziek
Dat je met muziek zorgvuldig behoort om te gaan
zal niemand tegenspreken. Keurig de noten spelen en alles benaderen in
de geest van de componist. Zo wordt je dat bijgebracht aan de
conservatoria en bij privé docenten, tenminste als het goede
docenten zijn.
Dat sommige docenten er ook streng op toezien dat studenten zorgvuldig
en netjes met muziek omgaan (geen ezelsoren, voldoende uitgevouwen) was
weliswaar niet nieuw voor mij, maar toch spitste ik de oren toen ik dit
in mei 2004, via de radio in het mooie programma A4 (sinds 2 juli 2004
helaas opgeheven) van de pianiste Tan Crone vernam. Zij werd op haar
eerste les bij Nadia Boulanger te Parijs, nu zo’n dertig jaar
geleden, ook over haar omgaan met de gedrukte muziek streng
toegesproken.
Tan Crone vertelde hoe ze bij haar eerste les van Boulanger niet alleen
te horen kreeg dat ze er keurig verzorgd en in de goede houding hoorde
bij te zitten, maar dat ze ook netjes haar muziek behoorde te
behandelen. Niks geen ezelsoren en vlekken in de muziek; geen oude en
nieuwe aantekeningen door elkaar (alleen relevante opmerkingen met
potlood in de muziek genoteerd), het boek keurig en recht op de
lessenaar, enzovoorts. “Het ging er in die twee jaar dat ze
er les volgde streng aan toe. Nadia Boulanger had de wind er onder bij
haar leerlingen. Met de toon op de piano blijf je je hele leven
bezig”, aldus Tan Crone.
Organisten blijven hun hele leven bezig met het telkens weer opnieuw
uitzoeken van klankkleuren door middel van het uitzoeken van
registraties bij een orgelwerk.
KOPIËREN
Nu, met die enorme toename van het fotokopiëren en het
achteloos en soms wetteloos gebruik maken van kopieën van
muziek zou Nadia Boulanger zich in haar graf omdraaien.
Goed dat we eens horen dat ook het omgaan met muziekboeken netjes en
correct behoort te zijn Dus geen kopieën gebruiken. En al
helemaal niet in een eredienst. En toch gebeurt dat zonder dat
organisten zich er veel om bekommeren. Juist in de kerk behoren geen
onrechtmatige kopieën gebruikt te worden want het is ordinaire
diefstal; punt uit. Alleen als het om praktische redenen noodzakelijk
is dan mogen er kopieën benut worden. Maar als het even
mogelijk is behoort het “echte” boek in de
boekenkast te staan. Eenvoudigweg lenen van een collega of bij een
muziekbibliotheek en dan vervolgens een kopietje maken en die gebruiken
bij een openbare uitvoering kan dus niet. Dat is oneigenlijk gebruik.
Dat geldt voor elke muzikant.
UITGEVERS
Correct omgaan met gedrukte muziek is ook van belang voor uitgevers.
Immers ook zij behoren hun brood te kunnen verdienen. En alleen zo
wordt de voortgang en verbreiding van de muziek en de muziekcultuur
gewaarborgd. Het is zo simpel als het zijn kan. En toch?…
toch halen veel musici en ook veel (kerk) organisten hun schouders op.
“Waar maak je je druk om” is vaak de reactie.
Eenzelfde strijd tegen kopiëren voeren de platenmaatschappijen
tegen het illegaal kopiëren en downloaden van muziek. Maar in
de strijd tegen het branden winnen piraten het vooralsnog van overheid
en industrie. Vertaalsleutels waarmee branders en computers zogenaamde
“copy controlled cs’s” kunnen lezen, zijn
meestal binnen no time beschikbaar.
[Bron: Menno Pot, “Stijden muziekpiraterij geen
succes”, Volkskrant 2 mei 2003]
Willem van Twillert
Column november 2004: Het Haarlemgevoel
"Zo, dus dat vinden jullie nou leuk", zei Klaas Bolt op een warme
zomermiddag (was het 1985?) toen hij getooid met een bizar ogend
hoedje, boven aan een duin staande, neerkeek op drie studenten
(waaronder schrijver dezes), die hem hadden uitgenodigd voor een
middagje strand.
De ervaring van die middag beleefde ik opnieuw toen ik me weer op
praktisch dezelfde plaats op het strand bij Bloemendaal bevond.
De plaats waar Bolt toen vanaf het duin naar beneden keek en ons dit
toeriep is nu ingenomen door een trendy strandrestaurant, waar de
yuppen zich laven aan zon, zee, verveling, en aandacht.
Ik combineer een zonovergoten
middag op het strand met een orgelconcert in de Grote of Sint Bavokerk
te Haarlem, waar het programma vermeld dat David Sanger zal spelen.
Deze orgelconcerten worden door de gemeente Haarlem jaarlijks van half
mei tot oktober georganiseerd op de dinsdagavond, aanvang 20.15 uur. De
toegang is gratis en het niveau hoog. De stadsorganist Jos van der Kooy
neemt 15 concerten voor zijn rekening, voor de overige concerten wordt
de top aan organisten uit binnen- en buitenland uitgenodigd.
In de zomermaanden juli en augustus zijn er zelfs twee maal per week
orgelconcerten. Dan is er ook een orgelbespeling op donderdagmiddag,
aanvang 15.00 uur.
Die dinsdag 3 juli 2001 wordt mijn belangstelling getrokken door het
openingswerk: Een bewerking van Marcel Dupré over 'Wir
danken dir' uit cantate 29 van J.S. Bach. Er is nog wat tijd over en ik
besluit om nog een
blik om de hoek te gaan werpen op de beroemde vleeshal, het standbeeld
van Laurens Jansz Coster (uitvinder van de boekdrukkunst volgens
Haarlem) en het prachtige stadhuis met de karakteristieke Italiaans
aandoende loge.
Na nog even de magnifieke ruimtelijke werking van het marktplein op me
te hebben laten inwerken, begeef ik me met dat typische Haarlemgevoel
weer Bavo-waarts. Ik ontmoet er nog een vriend die in de deuropening
van de kerk staat. We zoeken vervolgens samen een plaats op, dicht bij
het orgel, omdat het monumentale instrument dan zo majestueus klinkt en
je ook duidelijk de finesses in het spel van de organist kunt
beluisteren.
Voor ons zitten vier jongens van zo'n dertien tot vijftien jaar.
Uiteindelijk zullen die het orgelconcert weliswaar voortijdig verlaten,
maar anno 2001 vallen jeugdigen toch op bij een orgelconcert.
Het front van het
Müller-orgel is telkens weer een feest om naar te kijken.
Een orgel dat niet alleen prachtig is om naar te luisteren , maar ook
om naar te kijken. Aan het front kun je alle
mogelijke stijlkenmerken ontdekken, een genoegen op zich. Met
hernieuwde belangstelling neem ik het front in me op. Zal het mij nu
meer opvallen dat de middentoren eigenlijk aan de smalle kant is zoals
Arjen Looyenga zowel in deel II, 1726-1769 (pagina 109-111) als in deel
V (pagina 22 en 23) van de orgelencyclopedie "Het Historische Orgel"
(een fantastische uitgave voor elke orgelliefhebber) beweert?
Looyenga laat de ontwikkeling zien van de breedte van de middentorens
aan de hand van afbeeldingen van het in 1940 verwoeste orgel in de
voormalig St. Rosalia te Rotterdam, dat Johannes Mitterreither in 1779
maakte. In zijn ontwerp voor die kerk besloot Mitterreither te breken
met het vaste aantal van zeven pijpen in de middentoren. Hij breidde
dit, als eerste orgelmaker in Nederland, uit tot vijftien pijpen.
In 1790 ontwierp de uit Italië afkomstige Jan Giudici (1746 -
1819) het orgel in de St-Laurenskerk te Rotterdam. Ook hier bevatte de
middentoren geen zeven pijpen, zoals in de St. Bavo te Haarlem, maar
waarschijnlijk
vijftien pijpen. En ook hier ontwierp Giudici een gebogen basislijn,
die naar boven omhoog krult over het rugwerk heen.
Vanaf de begane grond kon men dan de voeten van de pijpen in de
middentoren van het hoofdwerk bijna geheel volgen.
Inderdaad de middentoren van het Bavo-orgel is magertjes uitgevallen te
midden van de machtige 32- voets pedaaltorens.
Maar door in de top, vanuit de bovenwerktoren de bekroning met de
wapenenscenering fors te laten uitwaaieren is Müller er
evenwel in geslaagd om de middentoren visueel toch visueel forser aan
te te zetten.
Vanwege de bekroning van de middentoren van het hoofdwerk door een
lijst met een cartouche krijgt de middentoren eveneens meer volume
DAVID SANGER
David Sanger speelt mooi. Typisch engels: vocaal, zangerig .
Hij zet de topnoten iets aan, door een subtiele verlenging van de
hoogste toon in een frase.
Dit is goed merkbaar in de pedaalsolo van de Toccata, Adagio en Fuge in
C van J.S Bach.
Het is echter de kunst om deze vrijheden niet ten koste te laten gaan
van de cadans. De klemtoon op het zware maatdeel (in 4/4 maat is dat
een nadruk op de eerste tel, en een iets lichtere op de derde tel,
terwijl een
3/4 maat alleen een betoning krijgt op de eerste tel) legt Sanger fraai
in het openingswerk, 'Wir danken dir' uit Cantate 29 van J.S. Bach, in
een fraaie sprankelende bewerking van Marcel Dupré.
In de Toccata is Sanger's helderheid in articulatie wat minder
sprankelend.
Heeft dat te maken met zijn veelvuldig omgaan met Engelse instrumenten
die vaak ofwel een Barker-hulpmechaniek hebben, ofwel een elektrische
mechaniek bezitten? Ik denk het niet, want Sanger is een ervaren
speler, die al vele CD opnamen op zijn naam heeft staan.
In bovenstaand verband dacht ik aan een tekst van Peter van Dijk in het
'Redactioneel in Het Orgel, 2001 - nummer 4 (er staat geen maand van
verschijning op, maar het is juli 2001):
'Voor menig buitenlands virtuoos blijken onze weerbarstige
historische mechanieken een in fatale mate onderschat struikelblok te
zijn. Echter diezelfde virtuoos blijkt een Engels kathedraal-orgel als
het ware van de
muur af te kunnen laten spatten. Lang leve derhalve de veelkeurigheid!'
[sic]
Haarlemse registranten
Ingewijden weten dat aan de registratie vaak ook veel wordt bijgedragen
een gesleuteld door de voortreffelijke beroepsregistranten, die in
dienst zijn van de gemeente Haarlem. Zij staan de organist bij met de
registratie maar ook vaak met het bedenken en samenstellen van de
registratie.
Bij het slotstuk van Sangers recital was een incident: Een rockband
begon namelijk vlakbij de kerkmuren voor het café-publiek te
spelen. Binnen in de St. Bavo bleef het publieke na het voorlaatste
stuk doodstil.
Wat nu? Er klonk een aarzelend (slot?)applaus. De spanning was
voelbaar. Toch was het interessant te merken dat klaarblijkelijk
iedereen aanvoelde dat het concert nog niet af was.
Men wilde perse het slotstuk horen. Een bewijs dat Sanger zijn
programma goed had opgebouwd.
Het bleek dat vanuit een Amerikaanse jaren-vijftig-slee er buiten de
Bavo, met behulp van een aggregaat (voor de elektriciteit), harde
rockmuziek gemaakt werd door een enthousiaste muzikant.
Gelukkig kon Anton Pauw de rockmuzikant uiteindelijk duidelijk maken
dat er nog een orgelconcert aan de gang was.
De uitvoering van Liszt' fantasie over BACH kon vervolgens tamelijk
ongestoord doorgang vinden.
Gaat u na afloop van het orgelconcert naar de deur linksonder het orgel.
Daar komt de organist uit. Hij/zij zal het waarderen wanneer u hem/haar
feliciteert met zijn/haar prestatie. Dat hoort
óók bij het Haarlemgevoel en dan... naar de
kroeg. Want na het concert is het gebruikelijk dat
orgelconcertgangers nog even napraten in het "Carillon", het
orgeletablissement bij uitstek, gelegen aan de Grote Markt tegenover de
Grote- of St. Bavokerk.
Schrijver dezes liet dit keer echter verstek gaan en liep de Kleine
Houtstraat in, onderwijl kijkend en genietend van een van de vele mooie
Haarlemse panden. Bij een van die huizen had een houtsnijder de
uiteinden
van de balken waarop het balkon rust, prachtige sprekende koppen
gegeven.
In Haarlem voel je je nooit alleen.
WILLEM van TWILLERT
Column november 2003 Opnamen in Noordwijk aan Zee
In 1965 kreeg voor het eerst orgelles op de muziekschool te Amersfoort. Ik zie me nog gaan. In keurige kleren stapte ik in de streekbus op weg naar de heer Seldenthuis die van mij een organist zou maken. Een twee jaar later zeiden Louis Mol ( dirigent van het Baarns oratoriumkoor) en Henk de Graaf (die toen aan het Utrechts conservatorium studeerde en nu soloklarinettist is van het Rotterdam Philharmonisch orkest), dat ik best naar het conservatorium zou kunnen gaan. Dromen hoe dat zou zijn, beroepsmusicus. Met ontzag zag ik soms een grote omroep-opnamewagen bij de St. Joriskerk staan. Dat leek me het toppunt: Van je hobby je beroep maken! Geweldig leek me dat. Ik keek op tegen namen als Albert de Klerk, Cor Kee, Piet Kee en Stoffel van Viegen.
Een radio-opname is geen kleinigheid. Dat heeft de ervaring me wel geleerd. Het opnemen op locatie betekent afhankelijk zijn van buitengewone factoren. En reken maar dat die buitengewone factoren er komen. Elke keer is dat weer een verrassing. Wat zal er nu weer mis gaan, zo'n gevoel....
Nu, ik heb met het opnemen op zich al heel wat buitengewone factoren meegemaakt. Wanneer het zonnig is dan beginnen er vogels te fluiten en te kwetteren (Broerenkerk, Zwolle circa 1982). Wegwerkzaamheden, die alleen werden stilgelegd toen het hevig begon te regenen. Door het regengeruis moest soms de opname ook even opgeschort worden. (Mozes & Aäronkerk Amsterdam 22-11-2001) En zo kan ik wel een tijdje doorgaan en dan wil ik het niet hebben over vuilnisauto's die 's ochtends langs kwamen (Kampen Bovenkerk circa 1994) en overig verkeerslawaai. De ergste pech was rond 1981 in de Dorpskerk van Wassenaar waar een opname plaats vond met Bruce Haynes op barokhobo, Danny Bond op barokfagot en Staat Swierstra op barokviool. Daarvan zijn de meeste opnamen om technische redenen later afgekeurd omdat er een brom in de opname zat. De stroom was niet aardevrij, niet "clean". In dat geval hadden we de elektriciteit van een ander punt moeten tappen.
In Noordwijk aan Zee was het de storm die ons tijdens de opname parten speelde. De kapel ligt pal aan zee. De kerk bleek niet bereikbaar voor de NOS-geluidswagen, vanwege een paal die alleen maar naar beneden ging met een plastic kaart. Gelukkig was die middag de tweede organist langs gekomen en deze organist was zo attent geweest om zijn telefoonnummer af te geven, "voor het geval dat,..."
Rond half zes belde ik met Okke Dijkhuizen om me te vergewissen dat de opname wel door zou gaan ivm. de storm. "We zijn bijna bij de kerk" zei Okke. Eenmaal aangekomen was er zijn ontsteltenis: "We komen niet bij de kerk, hier heeft men niets van gezegd!" mopperde Okke. Ik belde toen snel met de tweede organist en die bedacht iets. Die man had een geweldig netwerk want binnen een kwartier stond er een blozende marktkoopman met een parkeerkaart. Probleem opgelost.
Waar bleef toch de eerste organist? Hij zou toch de Dulciaan stemmen? Bellen maar weer: "Problemen op het werk, ik ben er om 19 uur", zei de eerste organist. Uiteindelijk stemde Okke toen maar zelf de Dulciaan, wat hij overigens vakkundig deed. De opname startte tegen half negen.
Met dergelijke calamiteiten had ik rekening gehouden en ik had me daarom grondig voorbereid. Ook vanwege het buitenissige pedaal. Dus had ik mijn programma grotendeels uit het hoofd geleerd en mijn motoriek zo scherp mogelijk gemaakt door de gehele middag bezig te zijn met herhaling van gedeelten waar klavierwisselingen in voorkomen. Bij klavierwisselingen wil je vermijden dat er tijdens de "landing" op het andere klavier een buurtoets wordt aangeraakt. Daar komt bij dat het spelen van versieringen bij een zijkant bespeling altijd meer subtiliteit vereist; er zit immers als het ware een winkelhaak extra in de tractuur. Ook het tempo wil je nog eens grondig vaststellen.
Mensen denken wel eens: Oh, je kunt toch een keer overspelen? Ja, dat kan, maar bij een tweede kans moet er dan wel een perfecte take komen, want anders kom je al gauw in tijdnood. Dus je kan niet te vaak iets drie keer spelen.
Tevens is het ook een mentale zaak. Ik durf te stellen dat succesvol spelen niet alleen afhangt van een grondige voorbereiding maar ook van een goede mentale instelling en dat is niet alleen een zaak van trainen, dat moet je ook een beetje van nature meekrijgen. Ik voelde me zeker. Tijdens de opname stemde ik enkele pijpen bij van de Dulciaan. Bij tijd en wijle tochtte het in de kerkruimte omdat de deuren vanwege de kabels iets open moesten blijven.
Okke is een strenge edoch zeer bekwame en toegewijde muziekregisseur . We overlegden zo nu en dan over de registratie; deden hier en daar een take opnieuw en om iets over half tien werd de opname als voltooid beschouwd. De technicus bleek er al tien werkuren op te hebben zitten en daarom wilde Okke geen extra opnamen maken. Gelukkig heeft Okke een fenomenaal inzicht en gehoor en een grote beroepstoewijding. Uiteindelijk zal hij, weet ik uit ervaring, mijn muzikale verrichtingen op de band beter kennen dan ik. Dus ik zie niet de noodzaak om bij de montage aanwezig te zijn omdat ik me durf te verlaten op het vakmanschap en het perfectionisme van Okke Dijkhuizen.
![]() |
Na de opname kon ik nog net deze foto schieten. Op de voorgrond is Okke Dijkhuizen bezig zijn tas te pakken en Gert Altenaa zegt Okke dat er nog een foto gemaakt wordt. |
De volgende dag belde Okke vanuit de studio. Op de achtergrond hoorde ik de opname. Okke zei enthousiast; "Je hoort niets van de wind, het is een prachtige opname geworden. Ik ben heel tevreden. Wat een prachtig orgel is het toch, luister maar eens."
Ik hield de hoorn van de telefoon strak tegen mijn oor. "Ja, Okke het is mooi zo", zei ik. "Ik ben heel tevreden", herhaalde Okke en eerlijk gezegd klonk dat mij op dat moment als de mooiste muziek in mijn oren, want we weten (in ieder geval ik weet dit) dat Okke, indien hij niet tevreden zou zijn, dat ook zou zeggen ; recht door zee als hij is. Soms annuleert hij, zo zei hij me ooit eens, ook wel eens opnamen als hij niet tevreden is, of wanneer het programma zijn uiteindelijke goedkeuring niet kon wegdragen.
Mijn jongensdroom dat het bij radio-opnamen vooral gaat om de organist, is allang bijgesteld. De beleving zoals in die jongensdroom is wel gebleven. Gelukkig wel want nog steeds vind ik het een "event", maar wel een gebeurtenis die je als team neerzet. Dat ik nou het geluk heb een beetje orgel te kunnen en mogen spelen maakt mij niet belangrijker dan andere mensen. En alleen op die manier heb je, denk ik, de mentaliteit om enerzijds obstakels te overwinnen en problemen het hoofd te bieden en anderzijds om mooi en ontspannen con amore te musiceren.
| Programma Noordwijk aan Zee EO-opname op maandag 6 oktober van 19:30 - 22:00 uur | ||
| Anoniem | (Zuid-Duitsland 18e eeuw) | Marche |
| Justin Heinrich Knecht | (1752-1817) | Thema met 6 variaties in F |
| Rondo in Es | ||
| Choral, "Es ist das Heil und kommen her" | ||
| Friedrich Wilhelm Marpurg | (1718-1795) | "Christus, der ist mein Leben"(2 Variaties) |
| Theodore Grünberger | (1756-1820) | Solo di Gamba unter der Wandlung (Uiteindelijk niet opgenomen) |
Column juli 2003 Orgel spelen om fit te blijven
Er zijn vele manieren om fit te blijven, maar het bespelen van een muziekinstrument wordt daar niet direct mee in verband gebracht. Toch is musiceren ook een manier om fit te blijven, zowel fysiek als mentaal.Column maart 2003 Je hobby je werk
(zie ook radio-interview CASA LUNA,2004)
Organisten
behoren tot een te benijden beroepsgroep. Immers, wanneer het gelukt is
om een bestaan op te bouwen als organist dan heb je in wezen van je
hobby je beroep gemaakt. We doen dit met inzet en met een goede balans
tussen de eisen die de taak stelt aan de eigen bekwaamheden. De
Amerikaans-Hongaarse psycholoog Mihaly Csikzentmihalyi (spreek uit:
tsik-sent-mie-ah-haai) vond hiervoor al rond de jaren 1960 de term flow (ruwweg
vertaald: geluksgevoel) uit. Toen hij (rond 1956) aan zijn dissertatie
werkte en voor dat doel kunstenaars observeerde, merkte hij dat
kunstenaars vaak weinig geïnteresseerd zijn in hun
werkproduct, althans wanneer het kunstwerk eenmaal voltooid was. Het
gaat hen meer om de flow: het volkomen opgaan in de creatie van het
kunstwerk. Met zijn of haar geest en gevoelens is de kunstenaar geheel
betrokken bij de volbrenging van een taak, waardoor het niet uitmaakt
of men gelukkig is of niet. Tijdens het creatieve proces verdwijnen
gevoel voor tijd en plaats omdat met het eenvoudigweg te druk heeft om
na te denken over zichzelf of over de vraag of men gelukkig is.
Jean Cocteau beschreef al op 29 januari 1954, dus voordat
Csikzentmihalyi flow op de kaart zou zetten, dit flowgevoel in
één geweldige zin in zijn laatste dagboek
‘Le Passé défini III,
Dit citaat komt uit de Nederlandse vertaling door Joop van Helmond van
de vier dagboeken 1942- 1954 van J. Cocteau, onder de titel,
“Dagboek van een duizendkunstenaar’ (citaat op
pagina 270). Joop van Helmond selecteerde, vertaalde en schreef een
nawoord [uitgave de arbeiderpers].
Een organist die oefent om een orgelwerk onder de knie te krijgen zal
zich herkennen in het zich kunnen concentreren zonder verstorende
elementen toe te laten. Dit los zijn van de zorg van alledag lukt niet
altijd, maar alleen al het streven er naar en de bewustwording er toe,
is van groot belang. Czikszentmihalyi: 'Pas na afloop voel je je
tevreden over hetgeen je bereikt hebt. En doorgaans ervaar je dan ook
dat je persoonlijkheid verrijkt is, dat je "zelf" zich uitgebreid
heeft. Juist door die na-effect komt flow het dichtst bij wat mensen
normaal met "geluksgevoel" bedoelen. Flow leidt tot voortdurende
groei.' (citaat afkomstig uit het NRC Handelsblad van 4 juli 1998, waar
Hendrik Spiering met Csikszentmihalyi een vraaggesprek had.)
Ook het luisteren naar (orgel)muziek lijkt geen actieve bezigheid, maar
het vergt juist bekwaamheid om je te concentreren en om ieder
irrelevante gedachte buiten te sluiten. Het is niet alleen kwestie van
je gewoon laten gaan.
Flow geldt trouwens voor alle beroepsgroepen. Is er bijvoorbeeld een
overeenkomst tussen het oplossen van een wiskundig vraagstuk en het
improviseren over een thema? Nee, volgens mij. Er zijn zelfs alleen
maar contrasten op één na.
Bij een wiskundig vraagstuk ken je het probleem: er is constant sprake
van helderheid, onverwacht opdoemende problemen zijn er niet. Bij een
improvisatie is het precies omgekeerd: je weet niets vooraf, helderheid
moet je zelf gaan scheppen en het enige wat je zeker weet is dat er
onverwacht opdoemende vraagstukken zullen verschijnen.
Lex Schrijver, sinds 1990 hoogleraar Discrete Wiskunde en
Optimalisering aan de Universiteit van Amsterdam, zegt er het volgende
over (Citaat afkomstig van interview door Michael Persson getiteld:
“De ideeën komen uit het niets - Hoogleraar Lex
Schrijver bedacht de wiskunde achter de nieuwe
NS-dienstregeling”, DE VOLKSKRANT van 16 december 2006,
kennispagina 7): “Je hebt het helemaal in de hand. Hoeft niet
te gaan improviseren. Je kunt je in volkomen concentratie wijden aan
die ene vraag. Die concentratie maakt een mens gelukkig, volgens de
flow-theorie van die man met die moelijke naam.” En die naam
is, zo liet Lex Schrijver de interviewer een dag later per mail weten:
Csikszentmihalyi.
Csikzentmihaly
was overigens een van de eerste, zo niet de eerste psycholoog die zich
nu eens niet bezig hield met negatieve gevoelens ( depressiviteit,
etc.) maar met positieve gevoelens. Ook de interesse van
hoogleraar arbeids-en organisatiepsychologie Wilmar Schaufelt te
Utrecht, verschoof van negatieve (15 jaar uitsluitend onderzoek naar
burn-out, verzuim en werkstress) naar positieve emoties. Na een
sabbatical in 1999 verlegde hij zijn wetenschappelijke aandacht naar
positieve oerreacties van de mens zoals arbeidsplezier en toewijding.
Wie positieve emoties heeft, ontplooit zich beter, omdat hij meer
zelfvertrouwen heeft.
Hoe kwam Csikszentmihalyi in de jaren vijftig aan zijn informatie?
Via duizenden proefpersonen die allen met een semafoon op willekeurige
momenten konden worden opgepiept, waarna ze een
enquête-formulier moesten invullen met antwoorden op vragen
zoals waar ze mee bezig waren op dat moment, wat hun gemoedstoestand nu
is, enzovoorts. Met deze 'Experimental Sampling Method" (ESM) kreeg
Csikszentmihalyi inzicht in de stroom van ervaringen en gedachten die
een mensenleven dagelijks bepaalt. Een interessant onderzoek vooral
voor creatieve beroepen.
De basis voor menselijk welzijn is gelegen in de ervaring van
geconcentreerd werken aan een taak of hobby die de volle aandacht
vasthoudt en waarin evenwicht is tussen de eisen die de taak stelt.
Alle liefhebbers van orgels en orgelmuziek zullen dit kunnen beamen.
Sommige professionele organisten zijn gestuit op een
"welzijnsprobleen'': Ze moesten een nieuwe hobby vinden.
Naschrift:
In een vraaggesprek in het NRC Handelsblad van 4 juli 1998 sprak
Hendrik Spiering met Csikszentmihalyi. Vanaf dat moment was ik een
bewonderaar van deze wetenschapper. Toen de vertaling van zijn boek:
CREATIEVITEIT OVER FLOW, SCHEPPING EN ONTDEKKING (Amsterdam 1998,
uitgever Boom ISBN 90 5352 3731) werd gepresenteerd in Amsterdam was ik
erbij en maakte van de presentatie ook foto's, die nu bij deze column
worden geplaatst.
Csikszentmihalyi signeerde het door mij aangeschafte exemplaar met:
"good flow with music!"
Deze column is geschreven in 2003. Regelmatig komt flow in
geluksartikelen naar voren. Enkele zinsneden uit aan flow gewijde
artikelen die na het schrijven van deze column zijn verschenen wil ik
graag alsnog vermelden. In de Volkskrant van 25 augustus 2007 staan in
het artikel ‘Dag vakantie, hallo werk’, door Peter
Greef enkele mooie zinnen over flow die ik graag doorgeef:
“Positieve emoties ervaren we vooral op die momenten waarop
we ons in een situatie bevinden die zeer uitdagend is, veel vaardigheid
vereist en vergezeld gaat van gevoelens van concentratie, creativiteit
en bevrediging. Momenten waarop we zo opgaan in wat we doen dat we elke
notie van tijd vergeten. De Amerikaans/Hongaarse psycholoog Mihaly
Csikzentmihalyi noemt dit flow.” De Duitse socioloog Manfred
Carhammer heeft uitgezocht uit wat het effect is van de toegenomen
tijdsdruk en de snelheid van leven. Peter Greef in genoemd artikel:
“Tot zijn verbazing ontdekte hij een opmerkelijk verband
tussen tijdsdruk en geluksniveau. In moderne samenlevingen waar de
tijdsdruk hoog is, zijn de inwoners het meest tevreden met hun leven.
Garhammer noemt dit de paradox van mensen in de moderne
meerkeuzesamenleving. De meest actieve personen zijn ook het meest
gelukkig.”