Oorspronkelijke muziek voor Orgel (Willem van Twillert), Hobo (Hans Meijer), Trompet (Herman Hopman) en Klarinet (Henk de Graaf) op het Duyschot/Flentrop-orgel te Zaandam, Hinsz-orgel te Kampen en het Scheuer-orgel te Zwolle
Inleiding
De combinatie concerterend orgel met een solo-instrument is altijd uitzonderlijk
gebleven. Componisten gaven door de eeuwen heen de voorkeur aan kamermuziek,
waarin de combinatie klavecimbel- en (later) piano met een solo-instrument de
toon aangaf. Het gebruik van het orgel speelde zich nu eenmaal voor het
overgrote deel af binnen de muren van kerken. Daarom kon het gebeuren dat in de
zeventiende en achttiende eeuw er wel een behoorlijk aantal koraalbewerkingen
zijn gemaakt voor orgel met een solo-instrument, maar dat er praktisch geen
concertante (profane) muziek voor orgel met een solo-instrument te vinden is. De
op deze CD voorkomende concertante vrije composities zijn dan ook bewerkingen.
Georg Friedrich Kauffmann (1679-1735) was, samen met tijdgenoot Johann Bernard
Bach (1 676-1749) een van de eerste organisten die koraalvoorspelen componeerde
voor orgel en blaasinstrument. Latere generaties zoals de op deze CD voorkomende
Homilius, Krebs ,Chr.C.Tag (1735-1811) en zijn leerling G.E Ebhardt (1771-1840)
hebben deze vorm ook in fraaie composities toegepast.
Jacob Adlung (1699 - 1762) schrijft in zijn boek ‘Anleitung zu der musikalischen
Gelahrtheit’, Halle 1758 (pagina 687), over de combinatie orgel met een
blaasinstrument: . . het is ook aangenaam, wanneer een hobo of een ander
geschikt instrument heimelijk achter of naast het orgel wordt opgesteld, die het
koraal uitvoert en door het orgel wordt begeleid, hetzij vanaf notenschrift,
hetzij geïmproviseerd.’ Adlung wilde klaarblijkelijk de illusie wekken dat de
hobo klinkt alsof het een register uit het orgel is.
(In de toelichting per compositie afzonderlijk worden bij de onbekende
componistennamen ook hun biografische gegevens beknopt vermeld)
Toelichting
George Frederic Handel (1685-1759) hield van de hobo. Hij componeerde
veel voor dit instrument, zoals de Sonate voor Hobo en Basso continuo, in c
kleine terts. Een Basso continuo is een basmelodie met daarbij een becijfering.
De bedoeling is dat de klavecinist of organist deze cijfers uitwerkt tot
akkoorden.
In deze uitvoering is het klavecimbel vervangen door het orgel. In het tweede
deel - een fuga - vormt het orgel zelfs een ideale ‘partner’ vanwege het heldere
lijnenspel dat op een orgel uitermate duidelijk, verfijnd en omlijnd tot klinken
kan komen. De bas van het derde deel wordt op het pedaal gespeeld. De
rechterhand kan op die manier een melodische functie vervullen terwijl de
linkerhand de harmonie (de akkoorden) kan spelen op een tweede, zachter
geregistreerd klavier. Met de hobo ontwikkelen zich in deze sonate fraaie
dialogen en imitaties. Het vierde deel is een sprankelend, lichtvoetig Allegro
in de vorm die standaard is voor een vierdelige sonate: de Gigue.
Georg Friedrich Kauffmann (1679-1735) is bekend vanwege zijn ‘Harmonische
Seelenlust’, een uitgave met twee-drie- en vierstemmige preludia over bekende
koraalmelodieën, die in afleveringen aan het eind van zijn leven verscheen.
Curieus is het dat deze uitgave ook was bedoeld als een pensioen voor zijn
weduwe, want zij gaf na de dood van Kauffmann de resterende afleveringen uit.
‘Harmonische Seelenlust’ opent met zes koraalbewerkingen voor orgel en hobo.
Kauffmann richt zich in zijn voorwoord niet alleen tot de ‘Herren Organisten in
Städten und Dörffern’, maar ook tot de ‘Liebhaber des Claviers’ en de uitgave is
even zo goed bestemd voor ‘algemeen gebruik tijdens erediensten’ als voor het
musiceren thuis ‘voor privé genoegen’, zo lezen we.
De trio-vorm hanteert Kauffmann in alle zes koraalbewerkingen. De hobo wordt
begeleid door drie obligate stemmen die op een orgel worden gespeeld met twee
klavieren en pedaal. Deze koraalbewerkingen voor obligaat orgel en hobo zijn dus
alle vierstemmig; slechts éénmaal komt een vijfstemmig akkoord voor namelijk aan
het slot van ‘Gelobet seist du, Jesu Christ’. Bij een ander koraalvoorspel,
‘Herr Gott dich loben wir’, is de pedaalstem voorzien van een becijfering; een
Basso continu derhalve (zie opmerkingen bij Handel).
Dit doet vermoeden dat deze koralen (ook) zijn bedoeld als vocaal-instrumentale
delen in Kauffmann’s cantates. Kauffmann heeft gedetailleerde registraties
aangegeven (niet bij Du, o Schönes Weltgebaude).
Het grootste deel van zijn leven werkte Kauffmann in Merseburg, waar hij in 1698
zijn leraar Alberti (1624-1710) opvolgde als Hof- en Domorganist. De eerste
muzikale beginselen leerde Kauffmann van J.H.Buttstett in Erfurt. In 1723
behoorde Kauffmann overigens tot een van de (vele) sollicitanten die meedongen
naar het Thomas-cantoraat van de stad Leipzig. Uiteindelijk zag Kauffmann van
deze sollicitatie af, ten gunste van Chr. Graupner, die inderdaad door de raad
werd gekozen.
De landgraaf waar Graupner in dienst was wilde hem echter niet laten vertrekken
en we weten dat toen Johann Sebastian Bach ‘maar’ gekozen werd.
Christian Gotthilf Tag (1735-1811) mocht als veertienjarige op voorspraak
van Homilius, zes jaar gratis studeren aan de Kreuzschule te Dresden. Na
voltooiing van deze opleiding wilde Tag in Leipzig theologie gaan studeren. Op
weg daarheen belandde hij echter in Hohenstein en daar bleef hij meer dan een
halve eeuw. Hij kreeg er anno 1755 de post van ‘Kantor und Schulkollege’ en
vervulde die functies tot 1808. Drie jaar later overleed hij in het Saksische
Niederzwanitz. Tag componeerde in een stijl die het midden hield tussen de barok
en hierop volgende ‘galante, empfindsame’(=gevoelige) opvattingen. Als nieuw
stijlelement mag de inspanning genoemd worden die bijvoorbeeld Tag en zijn
leerling Ebhardt zich getroosten om de gemoedstoestand, die de tekst van het
koraal bij hen oproept, in klank te vatten.
Georg PhilippTelemann (1681 1767) een componist die uitzonderlijk veel
heeft geschreven werd in 1681 te Magdeburg geboren Hij heeft in Sorau later in
Etsenach en tenslotte in Hamburg gewerkt. In deze plaatsen richtte hij steeds
een zogenaamd ‘Consortium Musicum’ op. Telemann stierf in hoog aanzien.
De sonate in C grote terts op deze CD is een bewerking van de sonate 2 in G
grote terts voor Gamba, obligaat Klavecimbel en Cello uit: ‘Essercizii Musici’
(Hamburg 1739-40), gemaakt door de Duitse twintigste eeuwse componist Helmut
Bornefeld. Prof. Bornefeld schrijft in zijn ‘Vorbemerkung’ (inleiding) van deze
bewerking:
‘Bij het zoeken naar een voor Engelse hoorn en orgel bewerkbare compositie voor
gamba bleef ik om verschillende redenen hangen bij Telemann’s Sonate in G grote
terts: door de wisselwerking tussen de gamba en het obligate klavecimbel
verschaft de compositie zelf al vele “pauzes”, die voor een qua ademtechniek
geschikte Engelse hoornpartij onontbeerlijk zijn; daarenboven geeft de
klavecimbelpartij de mogelijkheid om het orgelaandeel te verbreden tot een
concerterende, ja vaak zelfs zuiver triomatige aanpak en het zodoende tot een
dankbare opgave te maken.
Het origineel moest zich daartoe slechts op enkele plaatsen in zoverre geringe
wijzigingen laten welgevallen dat de harmonische opvulling (vanwege het
wegvallen van het basso continuo) nu in het trio zelf moest worden gerealiseerd.
(...)‘
Het ‘Concerto Tromba, Oboe III., Violino 1.11., Viola, Basso, del Sign.Telemann’,
zoals de oorspronkelijke titel luidt, is voor deze opname uitgevoerd in een
bewerking voor orgel en trompet. Oorspronkelijk omvat het werk vijf delen. Door
de basmelodie aan het pedaal toe te vertrouwen, is het mogelijk om details die
in de oorspronkelijke bezetting staan genoteerd op het orgel te spelen. De
Basso-continuo is in deze bewerking sober en functioneel gehouden. Zoals in de
tijd van Telemann gebruikelijk was, treedt alleen in de hoekdelen de trompet op,
zodat de trompettist de gelegenheid heeft om na de krachtsinspanning in het
eerste deel weer op adem te komen.
Johann Ludwig Krebs (1713-1780), de lievelingsleerling van J.S.Bach,
paste vorm en stijlelementen van zijn illustere leermeester toe in veel van zijn
orgelwerken. Op harmonisch en melodisch gebied volgde hij evenwel de smaak van
zijn tijd, zoals zijn, in deze opname ten tonele gevoerde koraalbewerkingen,
aantonen. Krebs (en niet alleen hij, zie ook de volgende organistennamen)
ontwikkelt vaak in de inleiding van zijn koraalbewerkingen een aan de
koraalmelodie ontleend motief, dat vervolgens bij de intrede van de Cantus
firmus (koraalmelodie) en vervolgens tussen de koraalregels door, op kunstige
wijze wordt volgehouden. De Koraalmelodie wordt door de solo-blazer ten gehore
gebracht. Na elke koraalregel wordt een rustperiode ingelast waarin, zoals al
opgemerkt, het orgel alle gelegenheid krijgt om het spel met motieven uit de
inleiding te vervolgen.
Een beproefde vorm. Krebs, geboren te Buttelstedt (bij Weimar), kreeg de eerste
muzieklessen van zijn vader, die nog een tijd bij Johann Sebastian Bach had
gestudeerd. In de periode 1726/35 was Johann Ludwig leerling aan de Thomasschule
te Leipzig, waar hij ook priveles van Bach ontving. Op 24 augustus 1735 schreef
de grote Bach een fraai getuigschrift voor Krebs, die in 1737 zijn eerste baan
kreeg: Organist van de Marienkichre te Zwickau. Na van 1744 tot 1756
‘Schiossorganist’ in Zeitz te zijn geweest, aanvaardde Krebs de functie van
Hoforganist te Altenburg. Daar stond hem voor het eerst een volwaardig, door
G.H.Trost gemaakt orgel ten dienste. Met zijn grote gezin kon Krebs maar
moeizaam de eindjes aan elkaar knopen. In 1775 liet Krebs zich ‘bij het vorderen
der jaren en bij het aanzienlijk verval van krachten, vooral van het
gezichtsvermogen’, bij sommige diensten enige jaren vervangen door een zoon. Op
Nieuwjaarsdag 1780 stierf Krebs.
Gottfried August Homilius (1714-1785) die, evenals Krebs, bij J.S. Bach
in de leer is geweest (van 1735-1742), werd in 1742 benoemd tot organist van de
Frauenkirche te Dresden. Het werk van Homilius stond in de schaduw van het
grootse muziekleven aan het hof, waar Johann Adolf Hasse (1699-1783) triomfen
vierde, maar Homilius bleef Dresden trouw. In 1755 werd hij Kantor aan de
Kreuzkirche (waarin Silbermann recent een nieuw orgel had geplaatst), leraar aan
de Kreuzschule en muziekdirecteur van de drie hoofdkerken in Dresden, te weten:
Kreuzkirche, Frauenkirche en Sophienkirche. Deze positie promoveerde Homilius
tot de belangrijkste Protestantse kerkmusicus van zijn dagen. Nog in 1741 had
Homilius tevergeefs gesolliciteerd naar de organistenbetrekking aan de St. Petri
te Bautzen. Om die sollicitatie toen te ondersteunen stuurde hij vijf
koraal¬bewerkingen (twee voor orgel met hoorn) op, waaronder het op deze CD
uitgevoerde ‘Komm Heiliger Geist, Herre Gott’. Deze sollicitatie- paperassen
zijn gelukkig gespaard gebleven, aan de hand waarvan men deze koraalbewerkingen
in 1924 voor het eerst publiceerde, In 1972 verscheen een hernieuwde druk. Bij
‘Komm Heiliger Geist, Herre Gott’ volgt Homilius in wezen dezelfde werkwijze als
Krebs. We zien dat ook Homilius naast de (toen) moderne galante stijlmiddelen
het vormgebruik uit vroeger tijd niet uit het oog verliest. Ook Homilius haalt
in dit koraalvoorspel de thematiek van de inleiding uit de koraalmelodie.
Homilius (evenals Krebs, Tag of Ebhardt) houdt vervolgens de thema’s op kunstige
wijze vol tussen en tijdens de koraalmelodie.
Homilius schrijft hoorn voor als melodie-instrument, maar in de Baroktraditie
kan de hoorn minstens zo goed (vergelijk citaat van Jacob Adlung in de
inleiding) door hobo of trompet vervangen worden.
Gotthild Friedrich Ebhardt (1771-ca. 1840) ontwikkelde zich onder leiding
van de eerder genoemde C.G.Tag tot ,zoals Ebhardt het later zelf noemde: ‘Hof-
und Stadtorganist und Kammermusikus’ te Schleiz. Een tijdgenoot (Gerber) meldt
in zijn lexikon dat Ebhardt op zijn eenentwintigste jaar in Schleiz onderwijzer
aan een meisjesschool was en tevens organist. Ebhardt moest buiten zijn
schoolwerkzaamheden nog vijf uur per dag besteden aan privé-lessen.
Niettemin vond Ebhardt gelegenheid om te componeren. Zijn op deze CD voorkomende
prachtige koraalbewerking, Befiehl du deine Wege, toont aan dat de objectieve
omspeling van de koraalmelodie zoals we die kennen vanuit de Barok, is veranderd
in een expressieve klankschildering. In de negentiende eeuw laten organisten de
gemoedstoes¬tand die de koraaltekst bij hen oproept, de toon aangeven. In het
koraal, Befiehl du deine Wege, is het affect (gemoedstoestand) er een is van
intense smeking en vrome droefheid. Registratie, tempo en instrumentatie, staan
alle in dienst om deze klaaglijke sfeertekening zo goed en intensief mogelijk te
onderstrepen. Niet in de laatste plaats voegt de keuze van Ebhardt voor klarinet
daar nog de nodige expressiviteit aan toe. De klarinet was in de tijd van
Ebhardt nog een gloednieuw instrument, dat snel geliefd was geworden, zowel als
orkestinstrument als solo-instrument (Klarinetconcert van W.A. Mozart).
Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788) componeerde zijn zes orgelsonates
voor Prinses Amalie von Preussen, een zuster van Frederik de Grote,in de jaren
dat hij in Berlijn werkte (1754-1759). Haar twee-manualige orgel, gemaakt door
Peter Migend (nog aanwezig in de kerk ‘Zur frohen Botschaft te Berlijn/Karlshorst),
beschikt in de discant over een buitengewone omvang (tot en met f “). Carl Ph.
Em Bach maakt in de partituur de opmerking ‘Diese 4 Orgelsolos sind für eine
Prinzessin gemacht, die kein Pedal und keine Schwierigkeiten spielen konnte,...’
(‘Deze 4 orgelsolo’s zijn voor een Prinses gemaakt, die geen pedaal en geen
lastige muziek kan spelen,...’)
Hans Brandt Buys schrijft in een door hem verzorgde uitgave over deze sonates
het volgende:
‘Moge deze prachtige gave muziek met haar vele geestige vondsten, haar innige
melodiek, haar briljante en dankbare werking de uitgebreide spelerskring vinden
die zij ongetwijfeld verdient.’ Drie jaar na de dood van C.Ph.Em. Bach
publiceerde de uitgever/componist Johann Carl Friedrich Rellstab (1759-181 3) de
eerste editie van deze sonates. In deze uitgave staan ook registraties, maar
deze zijn niet van de hand van Carl Ph.Em. Bach. Desalniettemin zijn deze
informatieve registraties, die vermoedelijk van Rellstab zelf afkomstig zijn,
uitstekend bruikbaar. De registraties die zijn gekozen voor deze opname zijn
gebaseerd op deze overgeleverde registraties.
Het Jan Duyschot/Flentrop-orgel in de Westzijderkerk te Zaandam
Met dit instrument zette Jan Duyschot in 1722 de Hollandse orgelbouwtraditie
voort van zijn vader Rudolf Barend Duyschot, de bouwer van het orgel in de
Westerkerk te Amsterdam Van het orgel in Zaandam bleven na de desastreuze ombouw
in het begin van deze eeuw alleen de kas met de frontpijpen en enkele verspreid
staande pijpen in het binnenwerk gespaard. Flentrop B.V. heeft, uitgaande van
een dispostie van Joachim Hess uit 1774, dit orgel in 1976 gereconstrueerd.
De geschiedenis van de orgelmakerij Flentrop is aan dit instrument verbonden: De
oprichter van deze firma, H.W.Flentrop, was namelijk organist van de
Westerzijderkerk toen het Duyschot-orgel in 1899 werd vervangen door een ‘groot’
orgel van Steenkuyl. Dit nieuwe orgel bevatte echter zoveel minder sonoriteit
dan het Duyschot-orgel, dat H.W.Flentrop in 1903 zijn schildersbedrijf opgaf om
zich helemaal aan de orgelbouw te kunnen wijden.
Hinsz/Freytag/J.C. Schnitger-orgel in de Bovenkerk te Kampen
werd door verschillende orgelmakers vervaardigd. Het majestueuze instrument
verkreeg zo in de loop der eeuwen haar boeiend en specifiek karakter, dat zich
bij uitstek leent voor de verklanking van werken uit Barok, Rococo en de
vroegklassieke periode. Het instrument is rigoureuze verkeerde ingrepen bespaard
gebleven.
Albertus Anthoni Hinsz maakte in de jaren 1741-1743 dit instrument met drie
handklavieren en aangehangen pedaal. Hij nam daarbij pijpwerk over uit het
vorige orgel van Jan Slegel (Woudfluit 4’ en 2’). Siegel op zijn beurt had van
Jan Morlet pijpwerk overgenomen. Freytag (1 759-1 811) en de stiefzoon van
Hinsz, Frans casper Schnitger jr. (1 729-1799) brachten in 1790 een Vrij pedaal
aan.Joachim Hess noemde het in zijn, ‘Dispositien der merkwaardigste
Kerk-Orgelen’ (1774) “jammer dat zulks van een vry pedaal ontbloot blyft,
dewyl daartoe de ruimte in de Kas is...” Die ruimte in de kas was er
overigens niet, want Freytag en EC. Schnitger jr. bleven geen andere
mogelijkheid open dan het pedaalpijpwerk onder de Hoofdwerklade onder te
brengen. Van een Prestant 16’ in het Pedaal kon dan ook geen sprake zijn. In
1968/75 restaureerden de ongelmakers Bakker en Timmenga dit instrument. Zij
brachten een transmissie aan, waardoor het mogelijk wend om de Prestant 16’ van
het Hoofdwerk ook via het Pedaal te bespelen. Hinsz plaatste in het Hoofdwerk
zowel een Prestant 16’ als een bourdon 16’; een uniek feit in zijn oeuvre. De
Prestant 16’ staat in twee zijtorens, welke dus geen pedaaltorens zijn, zoals
het front eigenlijk doet vermoeden. ln 1999 haalden de orgelmakers Gebr. Reil te
Heerde onder meer het pijpwerk van de lade, voor reiniging, controle en algeheel
onderhoud. Enkele stilgelegde balgen werden aangesloten, de mechaniek werd op
alle punten gecontroleerd, gerepareerd en weer afgesteld.
J.C. Scheuer-orgel, Broederenkerk, Zwolle
Dit orgel, voltooid in 1814, kreeg van de maker, J.C. Scheuer een klassieke
opzet met de volgende (globale) kenmerken:
Geen Bovenwerk, maar een Rugwerk in een ondiepe kas. Een dispositie met minder
solistische trekken.
Een fraaie plenumklank, mede door de samenstelling van de Mixtuur en de
krachtige tongwerken.
In 1912 verdwenen de Sexquialter, de Roerfluit 8’ en de Terts 13/5’, maar deze
registers werden tijdens de restauratie in 1972 weer in originele factuur
hersteld.
Voor het overige verkeert het orgel nog in oorspronkelijke staat. De stemming is
altijd gelijkzwevend geweest. Het kerkinterieur is na deze geluidsopname (1982)
gewijzigd, omdat de Broederenkerk een andere bestemming kreeg.
Over de uitvoerenden:
Hans Meijer, geboren in 1951 in Nijmegen, studeerde bij Cees Wijnbelt,
Heinz Friessen en Han de Vries. Hans Meijer behaalde in 1976 het solistendiploma
met onderscheiding aan het Conservatorium te Amsterdam. In 1975 was hij winnaar
van het ‘Tromp concours’ te Den Bosch. Sinds 1979 is Hans Meijer solo-hoboïst
van het Nederlands kamerorkest, later het Nederlands Philharmonisch Orkest.
Herman Hopman behaalde in 1973 het solistendiploma met onderscheiding aan
het conservatorium van het Muzieklyceum te Amsterdam. Solistisch trad Herman
Hopman op in vele landen. Van 1972 tot 1996 was Herman Hopman eerste trompethst
van het Geldens orkest. Na ruim vijfentwintig jaar ervaring als uitvoerend
musicus, zowel op het gebied van de klassieke muziek als op het terrein van de
traditionele jazz, voltooide hij de basisopleiding psychosynthese te Ouderkerk
aan de Amstel (lnstituut ‘Weide Heuvel’). In dezelfde periode was hij werkzaam
als orkestmusicus en als hoofdvakdocent trompet aan de Hogeschool der Kunsten,
afdeling conservatorium, te Enschede. Herman Hopman voert nu een praktijk voor
muziekcounseling te Duiven.
Henk de Graaf studeerde aan het conservatorium te Utrecht bij Jos d’Hondt
(1973 Prix d’Excellence). Vanaf 1975 tot heden soloklarinettist van het
Rotterdams Philharmonisch Orkestorkest. Hij speelde enkele jaren in het
Nederlands Blazers Ensemble. Henk de Graaf maakt deel uit van diverse
kamermuziekensembles. Eén van zijn CD projecten betrof een opname met
romantische klarinettrio’s. Gedurende 25 jaar was De Graaf als hoofdvakleraar
klarinet verbonden aan de Hogeschool voor Muziek en Theater te Rotterdam en de
Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten. Hij geeft regel¬matig Masterclasses in
Frankrijk.
Willem van Twillert studeerde orgel bij Piet Kee en piano bij Willem
Brons aan het Sweelink conservatorium te Amsterdam en behaalde daar het Diploma
Uitvoerend Musicus met onderscheiding alsmede de aantekening Improvisatie bij
het diploma Docerend Musicus.
Vervolgens specialiseerde hij zich bij Gustav Leonhardt (orgel) en Anneke
Uittenbosch (klavecimbel) en volgde hij cursussen bij Harald Vogel en Daniel
Roth via de Haarlemse zomeracademie voor organisten in 1975 en 1980. Willem van
Twillert was in 1976 de eerste Nederlandse finalist van het concours Grand Prix
de Chartres. Hij verzorgt voor muziekuitgeverij Willemsen de serie ‘ORGANISTEN
uit de achttiende- en negentiende EEUW’; hield lezingen over de geschiedenis van
het Nederlandse psalmzingen, onder andere in de USA aan het Dordt College in
Sioux Center (Ohio) en concerteert, behalve in eigen land, regelmatig in
Duitsland en Italic. Buitenlandse- en binnenlandse radio nodig-den hem uit om te
musiceren. Van zijn spel zijn diverse CD,s verschenen onder de titel, ‘Musicq
voor het Orgel’ en drie CD’s met eigen werk.
Van Twillert is organist van drie samenwerkende kerkgenootschappen in zijn
woonplaats Amersfoort en directeur van een particuliere muziekschool te
Bunschoten. Bovendien is hij redacteur van het maandblad ‘de Orgelvriend’.
Opname: Drost & Sein, Harderwijk
Digitale afwerking en productie: P & B Sound Harderwijk
Revalmeen 26, 3844CE Harderwijk
telefoon (0341) 42 08 39 bgg. (o6) 539 047 04
Distributie: Sabra Harderwijk
Telefoon (0341) 41 7947
Grafische verzorging: Foppen Reclame Harderwijk
Telefoon (0341) 43 02 22
Tekst: Willem van Twillert
De opnames zijn opnieuw uitgebracht onder meer dankzij de welwillende
medewerking van alle musici en dhr. Henk Sein.